Henk Hermans
Inner Directed Living
Zoektocht naar het Ware, het Goede en het Schone Leven
It is mainly a question of orientation. Do I have the idea and feeling that my life is mainly the result of personal choices, or does it seem something that is determined from outside. Is my life the result of circumstances, of good luck or bad luck? These two opposite ideas are recurrent in our thinking about man, from the old Greek philosophers to modern psychologists. The endconclusion seems to be, that this is mainly a question of opinion. Yes, there is much evidence that most of our behavior is externally caused. It is a reaction or sometimes even a reflex on all kinds of external influences or stimuli. But there is also much evidence, that humans have the capacity to control the way they react on circumstances. There is a possibility to make choices in areas of life, that are important for us. We can build our own life, and we can learn to live a life that is inner directed.
Inner directed living means, that you see yourself as an artist. Just as an artist creates artworks and leaves these behind as parts of himself or herself, you create your personal life and leave that behind in your acts and the memories of other people. The definition of inner directed living has overlaps with Carl Jungs concept of the introvert person and the self-actualized person of Abraham Maslow. It is based on the assumption, that we can take responsibility for how we perceive the world in which we live, and in how we fulfill the task of becoming the person that we want to be. The term inner directed living also has much in common with the theory about inner directed persons David Riesman describes in his book The lonely crowd. The decisions we take, and the life we live, have their roots in our values and our life goals. They are not simply the outcome of external situations or the behavior of other people. We are self-creating organisms, because we have the possibility to decide whom we want to be.
Inner directed living is not opposite to being emotionally involved with other people. On the contrary. When you develop your inner world you are better able to connect with other people in a respectful way. You develop a better understanding of yourself and others, and are more tolerant for differences in habits and points of view. Inner directed living also means that you care for the planet on which you live, and adjust your life style to all other living organisms. So it is more than just a new psychological theory or therapy. It is a way of being.
Ik kan mijn leven grootser maken als ik het ten volle doorleef. Wanneer ik me bezighoudt met datgene wat er echt toe doet (het Ware), rechtvaardig ben in mijn handelen (het Goede), en oog heb voor het fascinerende proces waar ik deel aan heb (het Schone). Door mijn leven te laten aansluiten bij het Grote Leven keer ik terug naar de oorsprong: het paradijs.
Mijn belangstelling voor de Inner Paradise Experience ontstond nadat ik mijn werkzaamheden als praktiserend psychotherapeut beëindigde. Ik heb dat werk altijd met veel plezier gedaan. Toch merkte ik de laatste jaren steeds sterker, dat de gang van zaken binnen de geestelijke gezondheidszorg me ging tegenstaan. Misschien was het voor een deel een voorbereiding op de afsluiting van mijn arbeidzame leven. Het is immers minder zwaar om afstand van iets te doen, als je jezelf er emotioneel van hebt losgemaakt. Maar daarnaast merkte ik, dat ik me steeds minder kon vinden in de rol die de moderne gezondheidszorg een psychotherapeut oplegt. Ik heb het dan allereerst over de procedures die je als psychotherapeut dient te volgen. Zaken als de verwijzing, de diagnosestelling, de behandeling die geboden moest worden, de verslaglegging en rapportage en de aanlevering van gegevens aan instellingen, waar ik nooit de bedoeling van heb begrepen. Ik merkte dat ik me steeds meer een gevangene voelde in procedures die anderen bedachten. Deze sloten steeds minder aan bij de verwachtingen die ik van mijn werk had toen ik ermee begon. Er was overigens geen sprake van een actieve onwil of onbegrip bij me. Het rationele deel in me besefte, dat al die procedures passen bij de wijze waarop tegenwoordig binnen de professionele gezondheidszorg wordt gewerkt. Sterker nog, ik zou het zelf zo bedacht kunnen hebben. Maar gevoelsmatig begon het me steeds meer op te breken. Ik ging me steeds meer ervaren als de aanbieder van een product, waarvan de productie bepaald wordt door krachten buiten mijzelf. Nu bevond ik me overigens nog in de gelukkige omstandigheid, dat ik mijn werk uitvoerde in een zelfstandige solo-praktijk. Daardoor werd ik minder belast met allerlei ballast die zo kenmerkend is voor de gang van zaken binnen de institutionele GGZ. Ik kon het belangrijkste gedeelte van mijn werktijd blijven besteden aan datgene waarom het gaat in een psychotherapiepraktijk: psychotherapie. Maar ik merkte dat ondanks de protesten van beroepsgenoten dit werk veranderde. De moderne psychotherapie is verworden tot een product van verzekeringsmaatschappijen, en het heeft daardoor veel overeenkomsten met andere diensten zij die aanbieden: ziekenhuiszorg, schadeafhandeling, uitvaart, inbraak, wateroverlast. Ze krijgt steeds meer het karakter van een consumptieartikel in plaats van datgene waar het oorspronkelijk mee begon: de ontmoeting tussen twee mensen. Begrijp me wel, er zit een logica achter deze gang van zaken, maar deze logica sloot steeds minder aan bij mijn persoonlijke opvattingen. Misschien dat daarin ook meespeelde, dat ik me steeds meer ging realiseren dat dit werk maar voor een klein deel logisch te bevatten is?
Er was nog een tweede bron van onbehagen in mijn werk had te maken met de inhoud zelf. De mensen die ik op mijn werkdag ontmoette, en die ik mijn diensten aanbood. De patiënten of de cliënten, net zoals je wil. Het waren stuk voor stuk allemaal plezierige mensen, die bereid waren om mij in vertrouwen te nemen over hun persoonlijke besognes. Ze vertelden hun verhaal, en wachten geduldig op hetgeen ik daarin te bieden had. Over het algemeen kwamen ze keurig op tijd hun afspraken na, en waren ze bereid om in het laatste gesprek (de afsluiting) hun tevredenheid over me uit te spreken. Ik voelde me competent in mijn beroepsuitoefening, en had het wat dat aangaat nog wel enkele jaren kunnen doorgaan. Maar toch merkte ik dat ook hier iets ging wringen. De gesprekken kregen steeds meer het karakter van een soort happiness cure. Ze hadden een voorspelbaar verloop. Aan de start lag een hoop misère, nare omstandigheden maar vooral nare gevoelens. In de eerste helft van mijn beroepsuitoefening moesten cliënten deze nog zelf verwoorden. Maar na verloop van tijd werd deze steeds vaker aangeleverd in de vorm van een medische verwijsbrief en later door een computerprogramma dat een verplicht onderdeel was van het aanmeldingsproces. De misère moest een naam hebben (de diagnose) en vervolgens kwam natuurlijk de volgende opgave: het behandelplan. Allemaal heel logisch natuurlijk. Mijn rationele deel begrijpt ook wel, dat maar weinig mensen een psychotherapeut consulteren, wanneer alles voor de wind gaat en ze zich goed voelen. En dat het niet voldoende is om als psychotherapeut enkel kennis te nemen van andermans misère. Dat er ook nog de verwachting bestaat dat er iets wordt gedaan. Maar toch merkte ik, dat er twijfels kwamen.
Neem de assumptie dat psychotherapeutische zorg alleen nodig is als je je naar voelt, en dat deze ertoe moet leiden dat je je (weer) goed -of nog liever- beter voelt. In mijn perceptie is geestelijke zorg altijd nodig, en hoeft deze er niet steeds toe te leiden dat je je beter voelt. Ze kan ertoe leiden dat je een beter mens wordt. Dat je je beter bewust bent van jouw positie als mens in deze kosmos en beter kunt samenleven met andere wezens. De mensen die voor psychotherapeutische hulp verwezen werden, kwamen omdat ze last hadden van somberheid, angst, twijfelzucht, schuldgevoelens of boosheid. Hun emoties werden door de verwijzer gelabeld als stoornissen: depressie, angststoornis of een persoonlijkheidsstoornis. Dat is de gang van zaken binnen de geestelijke gezondheidszorg. Er was iets mis in hun gevoelsleven, en mijn taak was om daarin verbetering aan te brengen. Ik had hen daarin ook wel iets te bieden, wat passend is. Emoties waren een soort specialisatie van me, waarbij ik me baseerde op de laatste ontdekkingen in de neurowetenschappen en cognitieve psychologie. Ik leerde cliënten dat emotionele reacties semi-automatische reacties zijn, die je kunt beïnvloeden met gerichte interventies. Ik noemde deze therapie brainbased cognitieve therapie. Nog steeds ben ik geïnteresseerd in deze behandelmethode, en ik geloof ik dat emotionele zelfsturing mogelijk is. Maar ik zie er ook de beperking van in. Het kan ook heel passend zijn om onplezierige gevoelens te ervaren en te begrijpen in plaats van meteen koers te zetten naar een positieve verandering. Psychotherapie is te veel onderdeel geworden van een feel good-cultuur, en heeft te weinig oog voor de setting waarin ons leven zich voltrekt. Het echte leven omvat meer dan alleen de gesprekken in een veilige therapiekamer. Sterker nog, misschien was die therapiekamer wel een tijdelijke ontsnapping uit het echte leven. Het viel mij regelmatig op, dat cliënten zich al beter gingen voelen wanneer ze inderdaad even uit hun eigen leefwereld konden stappen om van een afstand naar de dingen en naar zichzelf te kijken. Binnen de vakliteratuur wordt dit verschijnsel gewoonlijk afgedaan met de term placebo. Maar misschien is het placebo-effect veel meeromvattend dan gewoonlijk wordt aangenomen.
Lang voordat de psychotherapie werd uitgevonden, waren er handelingen, rituelen of -zo je wilt- gewoontes die mensen gebruikten om met leven om te gaan. Of het nu gaat om bepaalde dansen, drankjes, bouwsels of handelingen, we hebben altijd het gevoel gehad dat het leven te veelomvattend is om onbeschermd tegemoet te treden. Er zijn talrijke magiërs, priesters en geneesheren opgestaan om mensen te ondersteunen bij de taak die ze moeten volbrengen: leven. Psychotherapie is een sterk uitgeklede variant hiervan, en heeft de pretentie dat ze het heilige elixir heeft ontdekt om het leven de baas te kunnen. Wat dat aangaat werkt ze eerder bewustzijns vernauwend dan bewustzijns vergrotend. Er bestaat geen korte route naar een menswaardig leven, een quick fix die levenslange bescherming biedt tegen misère.
Klinkt dit als een teleurstelling? Misschien, maar dat blijkt het achteraf niet te zijn. Het beëindigen van mijn psychotherapeutische activiteiten stelde mij in staat, om me te bevrijden van de beknelling waarin ik terecht was gekomen. Immers ook bij mij was er sprake van een vernauwd bewustzijn, en vergat ik dat er nog een immens grote onontdekte wereld was die ik kon binnentreden. Ik realiseerde me, dat ik in de loop der jaren me teveel had opgesloten in mijn spreekkamer, en in de veronderstelling leefde dat dit dé wereld was. Terwijl het natuurlijk maar een fractie van die wereld was. Ik realiseerde me ook, dat er in mij veel meer krachten werkzaam waren dan alleen die interventies die door opleiding en regelgeving toegelaten werden. Dat gesprekken met mezelf net zo betekenisvol kunnen zijn, als de gesprekken die ik had met cliënten. En dat er veel meer mogelijkheden bestaan om de levenskunst te beoefenen, dan het bijscholingsaanbod dat door de beroepsverenigingen wordt aangeboden.
Deze ommekeer in mijn leven noem ik de ontdekking van het innerlijk paradijs. Het woord paradijs verwijst naar een terugkeer naar de bron, naar de oorsprong. Ik realiseer me, dat ik in mijn werk steeds verder verwijderd ben geraakt van mijn eigen kern. Het deel in mij dat verbinding heeft met het grote, de natuur. Moeder natuur, Gaia. Ik heb mezelf versmald tot de rol van psychotherapeut, waardoor er nog maar weinig ruimte is voor andere delen van mezelf. Ik kwam bij het concept inner paradise (innerlijk paradijs), omdat ik besef dat mijn leven bestaat uit de voorstellingen in mijn brein: de beelden, de sensaties. Natuurlijk worden ze gevoed door de wereld buiten, maar ik ken alleen de voorstellingen. Het totaal aan voorstellingen zijn de bouwstenen waarmee ik mijn leven kan opbouwen. De opgave is tweeërlei: wees een goede bouwmeester en maak een paradijs. Dat is het waar ik de komende jaren een belangrijk gedeelte van mijn levensenergie in wil steken.
Mijn eigen weg naar het Innerlijke Paradijs
De reis naar het Innerlijk Paradijs
Deze website heeft geen commercieel doel. Het is ook geen poging om je te bekeren tot een hoger waarheid of therapie. Ze biedt uitsluitend informatie over een project, waar ik het afgelopen jaar met veel enthousiasme mee bezig ben geweest. Met mijn zoektocht naar een paradijselijk leven. Dit klinkt misschien wat vreemd, maar ik zal mezelf verduidelijken. Ik ben in mijn leven altijd zoekende geweest. Zoekende in de zin van: ik moet toch iets met het leven dat me gegeven is. Niet dat ik het type van een avonturier ben, die steeds weer gaat voor een andere uitdaging. Maar meer, dat ik ergens de overtuiging heb, dat mijn leven niet enkel bestaat uit een samenraapsel van gebeurtenissen. Er kan een verhaal van gemaakt worden, een levensverhaal. Waarschijnlijk is dat een van de redenen waarom ik psychologie ben gaan studeren, en zo'n veertig jaar als praktiserend psychotherapeut heb gewerkt. Ik wilde de logica van het leven begrijpen, en heb daarvoor met talrijke mensen gesprekken gevoerd. Zij waren mijn gesprekspartners en voorzagen mij van het materiaal dat ik nodig had: hun ervaringen. Een belangrijk deel van onze gesprekken ging over ellende: narigheden, emotionele problemen, en teleurstellende relaties. Dat was ook vaak de drijfveer voor mensen om mij te consulteren. Maar onze gesprekken hadden daarnaast ook nog een andere insteek. De overtuiging dat een beter leven tot de mogelijkheden kan behoren. Omstandigheden kunnen vervelend zijn en mensen kunnen je behoorlijk tegenwerken, maar dit hoeft je levensgeluk niet onderuit te halen. Er is een mogelijkheid om een plek te creëren, waarin je jezelf kunt terugtrekken: jouw persoonlijke ruimte.
Deze persoonlijke ruimte is in mijn gedachtengang uitgegroeid tot een groter iets. Ik ben me namelijk steeds sterker gaan realiseren, dat de kwaliteit van ons leven niet wordt bepaald door dingen buitenaf, maar door onze persoonlijke conditie en onze perceptie. Dit inzicht lift ten grondslag aan mijn Innerlijke Paradijs Ervaring. Kort samengevat komt het hierop neer. We kunnen de tijd doorbrengen met wachten tot iemand ons een paradijselijk leven aanbiedt. Maar we kunnen ook besluiten om zelf het Goede, het Ware en het Schone in de dingen en in onze omgang met andere wezens te zien. We kunnen een soort Innerlijk Paradijs creëren. De aandacht wordt verlegd van buiten naar binnen.
Het verlangen naar een paradijs is zo oud als de mensheid zelf. Maar in onze zoektocht zijn we vaak gefixeerd op een plek buiten onszelf. Een ver land, een idyllische omgeving, of een samenleving die voor iedereen rechtvaardig is. Tot nu toe is geen enkele paradijszoeker erin geslaagd, om deze plek te vinden. Er bestaat geen ideale plek op deze aarde, en met dat gegeven zul je het moeten doen. Maar je kunt bij jouw zoektocht naar een paradijselijk leven je doel veranderen. Van een zoektocht buiten jezelf naar binnenin. Er kan pas sprake zijn van een paradijselijk leven, als je zelf de juiste fysieke en geestelijke conditie hebt. Je kunt het paradijs pas zien, als je leert om goed waar te nemen. Te kijken, te luisteren, te voelen en te proeven. Je kunt het paradijs pas binnentreden, als je zelf een geschikte bewoner bent. Als je denkt, voelt en handelt als een paradijsvogel. Je kunt je er pas thuis voelen, wanneer je krachtige wortels hebt en goed geaard bent. Je leeft niet alleen in je hoofd, maar in een lijf dat deel uitmaakt van deze aarde. Vaak zien we onszelf als toeschouwer bij wat er op deze aarde gebeurt. Maar we zijn deelgenoot, onderdeel. Zoals een plant de aarde nodig heeft om te groeien, hebben wij de aarde nodig om onze menselijke mogelijkheden te ontwikkelen.
Er bestaat een hele schat aan informatie over de wijze waarop je jezelf deelachtig kunt maken aan een paradijselijk leven. Geschriften van Oosterse en Westerse wijsgeren, denkbeelden in oude culturen, religies en sektes en genootschappen. Wetenschappelijke publicaties en mythologische verhalen. In zeker zin is de zoektocht naar een paradijselijk leven een belangrijk aspect van ons menselijk bestaan. Het lijkt een beetje op een verlangen om terug te keren naar een toestand, waarin we ooit verkeerd hebben. Een terugkeer naar een Paradijs, waar we ooit deel van hebben uitgemaakt. In deze website wil ik daarover verslag doen. Voor mezelf, en voor anderen die daar belang in stellen. De zoektocht naar zo'n innerlijk paradijs is een persoonlijke onderneming. Niemand kan deze voor jou doen. Je zult zelf de reis moeten maken. Maar je kunt gebruik maken van de ervaringen van anderen. Het is een veelomvattende ervaring. Een gemoedstoestand, een mentale instelling, een manier van in de wereld zijn. Ze heeft vooral betrekking op een diepdoorleefd gevoel van verbondenheid. Verbondenheid tussen jou en de wereld waar je deel van uitmaakt.
Als je jouw ideeën en ervaringen over dit onderwerp met me wilt delen, dan kan dat. Je kunt me informatie toesturen via met mailadres op het contactformulier. Ik ben erg geïnteresseerd in de ervaringen die anderen bij hun zoektocht hebben.
2k
Under construction
150
Under construction
10
Under construction
Geestelijke heelheid
Nog te plaatsen
De zin van kunst
Nog te plaatsen
Berichten uit het verborgen paradijs
1. De start
Ik kan me geen tijd herinneren met zoveel emotionele reuring, als de tijd nu. Emotionele reuring is min of meer dagelijkse kost geworden: in de krant op tv, tijdens visites. Het is praktisch onmogelijk om je er aan te onttrekken. Dat is hinderlijk. Ik ben in de loop der jaren erg gesteld geraakt op het paradijselijke leven dat ik leid. De paradijselijkheid van mijn leven speelt op twee niveaus. Allereerst leef ik in omstandigheden die uitermate plezierig zijn. Mijn primaire behoeftes worden rijkelijk bevredigd, en niets staat me in de weg om een zichzelf volledig realiserend mens te worden a la Abraham Maslow. Daarmee komen we bij het tweede paradijs: het innerlijke paradijs. Ik neem de tijd om de geleerde psychologische inzichten ook op mezelf toe te passen. Ik ben mijn eigen patiënt. Zo maak ik mijn innerlijk paradijs. Een gemoedstoestand die ik wil typeren als vredelievend, tevreden, open-minded, empathisch, esthetisch, en deugdzaam. De opsomming is niet compleet, maar geeft een indruk. De bouw van een innerlijk paradijs is vrij simpel. Ik maak mijn leven zo klein mogelijk. Daardoor kan ik de rijkdom beter zien. Je geniet van een aardbei, wanneer je je beperkt tot slechts één. Je raakt gefascineerd door de natuur, als je in een duin plaatsneemt, en kijkt… Het kleine leven. Niet het massale dat via verschillende kanalen wil binnendringen. Het leven van een kloosterling. Binnen de bescherming van de kloostermuren bewust zijn van de dingen die je doet. Je hebt genoeg aan de aanwezigheid van andere kloosterlingen, en je relatie met God. Maar zelfs die duld je niet steeds om je heen. Het innerlijk paradijs is nog niet af, maar ik ben er mee bezig.
Een paradijs buiten en een innerlijk paradijs. Een paradijs der dingen en een psychologisch paradijs. Altijd gedacht dat het begint met een paradijs buiten. Waar is de plek, die me in staat stelt om het ware naar boven te laten komen. Inmiddels weet ik beter. Het begint met de bouw van het innerlijk paradijs. Als dit er is, dan pas kun je het paradijs buiten jezelf zien. Ik wist het stiekem wel. Las ooit de wijze woorden: De meester komt als de leerling er klaar voor is. Zoiets dus.
Beginnende wijsheid
Waarschijnlijk denk je bij het woord paradijs aan een plek, waar je je helemaal vrij kunt voelen. Een soort ideale wereld, waarin de dingen helemaal op jou zijn afgestemd. Maar het woord kan ook verwijzen naar een geestestoestand die vrijheid biedt. Een toestand waarin je innerlijke leven goed op elkaar is afgestemd. Je voelt rust, overzicht, en weerbaarheid ten opzichte van alles wat van buitenaf binnenkomt. Omdat deze geesteshouding samengaat met vrede en vrijheid, noem ik deze toestand het innerlijk paradijs. Het is geen kortdurende toestand zoals flow, maar een blijvend mentale conditie, van waaruit je naar de wereld en jezelf kijkt. Dat innerlijk paradijs fungeert voor mij als een innerlijk kompas. Het stelt me in staat om zelf goede keuzes te maken, en actief mijn koers in het leven te bepalen. De ontwikkeling van mijn innerlijk paradijs helpt me om te leven zoals ik vind dat het leven geleefd moet worden. Bovendien draag ik bij aan een beter leven met andere aardbewoners. Dat klinkt goed, vind je ook niet?
Het creëren van zo’n innerlijk paradijs begint bij de Griekse wijsgeer Epictetus. Hij leefde aan het begin van onze jaartelling als slaaf in Rome. Zijn slavenstatus speelde een belangrijke rol in de levensfilosofie die hij onderwees. Het is een filosofie van vrijheid, maar dan van innerlijke vrijheid. Epictetus had als slaaf niet de vrije beschikking over zijn eigen lichaam. Dit behoorde toe aan zijn meester. Maar hij was wel vrij om zijn eigen gedachten en meningen te hebben. Je eigen gedachten ontwikkelen staat dan ook centraal in de filosofie van Epictetus. Je gedachten behoren tot je kring van invloed, samen met de doelen die je jezelf stelt, en de verlangens die je hebt. Hij verwoordt dit als volgt:
Van al het bestaande hebben we sommige dingen in onze macht. Andere niet. In onze macht hebben we onze meningen, ons streven, onze begeerte en afkeer. Al deze dingen kunnen we zelf bewerkstelligen. Het lichaam hebben we niet in onze macht. Ook bezit niet, of aanzien en ambten. […] Weet, dat de dingen die we in onze macht hebben van nature vrij zijn. Datgene wat we niet in onze macht hebben is krachteloos en vol belemmeringen.
Epictetus maakt een onderscheid tussen de wereld der dingen (de buitenwereld) en onze voorstellingen van die wereld (de binnenwereld). Dingen raken ons niet echt. Ze leiden er niet toe, dat we erdoor verstoord raken. Wat ons wel kan verstoren is onze voorstelling van de dingen. De beelden, ideeën, meningen die we ontwikkelen over de werkelijkheid. Deze beelden hebben wel een effect op ons emotionele welzijn.
Epictetus verwoordt dit idee op kernachtige wijze:
Mensen raken niet verstoord door de dingen zelf, maar door de voorstelling die ze hebben van deze dingen. Als we ons gekwetst of overstuur voelen, moeten we niet situaties of anderen daarvan de schuld geven. Het zijn onze voorstellingen die ons kwetsen.
We zouden dit als volgt kunnen weergeven. Bij de dingen die gebeuren (A) vormen we ons een beeld (B) van wat er gebeurt (B). We geven er een betekenis aan. Dit beeld bepaalt onze verdere emotionele reactie (C). Dus: A (gebeurtenis) -> B (beeld) -> C (emotioneel effect). Onze ratio stelt ons in staat om onze houding te bepalen ten aanzien van dit beeld. We kunnen het onderzoeken en bijsturen. Laat ik dit inzicht concreet maken. Stel dat een collega je wijst op een aantal fouten die je hebt gemaakt (A). Je kunt daar onmiddellijk het beeld bij hebben: hij heeft kritiek. Vervolgens kun je dit zien als bewijs van afkeuring (B).Dit beeld en je mening erover leidt tot negatieve emoties. Het is nu belangrijk om te beseffen, dat niet de opmerking van je collega jou emotioneel uit evenwicht brengt. Het is het beeld en het oordeel dat je er zelf bij hebt.
Dit inzicht is belangrijk omdat het duidelijk maakt, dat je beheersing hebt over je emotionele welzijn. Dat wordt namelijk niet bepaald door de dingen die gebeuren (de buitenwereld), maar door jezelf. Meer specifiek door de wijze waarop je naar de dingen kijkt, je gedachten en je oordeel. Epictetus zegt dan ook:
Een onwetend mens stelt anderen verantwoordelijk voor zijn teleurstellingen, een beginnend wijs mens stelt zichzelf verantwoordelijk, en een volleerd wijsgeer zoekt de oorzaak in zijn gedachten..
Het idee, dat jouw eigen gedachten jouw innerlijke rust verstoren, is een belangrijke eerste stap bij jouw zoektocht naar een innerlijk paradijs. Vaak ben je namelijk geneigd om emotioneel ongemak te externaliseren. Je zoekt de oorzaak van je stress buiten jezelf. De situatie waarin je zit, de dingen die je overkomen, andere mensen….Epictetus nodigt je uit tot introspectie. Wat zijn de innerlijke onruststokers, die je uit balans brengen? Welk beeld heb je van dingen die gebeuren, of kunnen gebeuren? Welk oordeel? Situaties zijn op zichzelf noch goed of slecht. Goed en slecht is een kenmerk van jouw oordeel. Bij het creëren van een innerlijk paradijs richt je je aandacht op de werkelijke bron van alle geestelijk ongemak: de beelden in je hoofd, jouw oordeel, en de doelen die jezelf stelt.
Epictetus combineert zijn inzicht in innerlijke onrust met een accepterende houding naar de buitenwereld. De dingen zijn zoals ze zijn, en het heeft ook een reden dat ze zo zijn. In de gedachtegang van Epictetus wordt de loop der dingen bepaald door hogere machten, zoals de wil van de goden, of door natuurkrachten. Het waarom der dingen kennen we vaak niet, en we hebben er nauwelijks invloed op. Hij adviseert om aan deze uiterlijkheden weinig belang te hechten. Laat ze over aan diegenen die daar wel controle over hebben. Richt je aandacht naar binnen, naar de wereld van je verbeelding. Deze accepterende houding heeft hij gemeen met andere filosofen uit de Stoïcijnse school.
Dat wij niet verstoord raken door de dingen zelf, maar door de voorstellingen die we ervan maken, wordt bevestigd door hedendaags neurowetenschappelijk onderzoek. Onze emotionele reactie wordt gestuurd door ons brein, dat aan alle binnenkomende prikkels betekenis geeft. Jouw brein geeft betekenis aan wat er om je heen gebeurt. Bovendien doet het voorspellingen over wat er kan gaan gebeuren. Je brein is daarin sneller dan je bewustzijn. Het kan vooruit lopen op situaties, die je zelf nog niet kent. Lastigheid is, dat jouw brein grotendeels automatisch functioneert, en wordt gestuurd door innerlijke neigingen en door gewoontes. Het kan daardoor al een reactie klaar hebben, terwijl je zelf een situatie nog niet goed doordacht hebt. Je reageert dan vanuit jouw automatische piloot. Maar door middel van mentale training ben je in staat om je bewust te worden van dit automatische proces. Er afstand van te nemen, en zelf vast te stellen hoe je wil denken. Je zuivert je brein van die gedachten, die een verstorend effect hebben op je emotionele welzijn.
Ook psychotherapeuten maken gebruik van de inzichten van Epictetus. Zij leren cliënten, dat de meeste stress voortkomt uit hun gedachten (en niet uit de feiten), en dat ze deze gedachten niet zo serieus moeten nemen. Het zijn enkel gedachten. Let wel, dit is pas de eerste stap naar het creëren van een innerlijk paradijs. Zoals je in de toekomstige columns zal lezen, zijn er nog veel meer stappen te zetten.
De loutering
Bij het woord paradijs denken we meestal aan een plek van vrede en harmonie. Maar paradijs kan ook staan voor een geestestoestand. Een innerlijke plek, een state of mind. Ik gebruik daarvoor het begrip innerlijk paradijs (inner paradise). Het staat voor een toestand, waarin je jezelf hebt losgekoppeld van storende invloeden van buiten en van binnen, en op een liefdevolle wijze kijkt naar jezelf , de ander en de wereld waarin je leeft. Ofschoon een paradijselijke toestand niet direct vanaf de geboorte aanwezig is, ben je in staat om haar tijdens je leven te realiseren. Ze is het resultaat van gerichte training. Het proces dat je daarbij doormaakt, komt overeen met de zelfactualisatie van Abraham Maslow. Je ontwikkelt je van een behoeftig wezen naar iemand die belangeloos naar zichzelf en de wereld buiten jezelf kan kijken. Je zit minder opgesloten in je persoonlijke verlangens en bent beter in staat om de samenhang der dingen te zien. De complexiteit van het moderne leven maakt zo’n ontwikkeling belangrijk en misschien wel noodzakelijk. Het wordt tijd dat we ons ontwikkelen van een behoeftig wezen dat vooral actief is met consumeren naar meer complete wezens die zich oriënteren op het goede, het ware en het schone.
Het creëren van een innerlijk paradijs is een leerproces waarbij je streeft naar geestelijke zuiverheid. Je ontdoet je van die strevingen, die jouw ontwikkeling tot volledig mens in de weg staan. Dit is allereerst een kwestie van afleren. Vervolgens ga je de eigenschappen versterken die deel uitmaken van een compleet mens. Dat is een zaak van aanleren en verder uitbouwen. Tegenwoordig wordt maar nauwelijks aandacht gegeven aan dit ontwikkelingsproces, überhaupt aan persoonlijkheidsontwikkeling. De nadruk bij mentale ontwikkeling ligt vooral op praktische cognitieve en handelingsvaardigheden. Dit past bij het beeld van de behoeftige mens, die vooral actief is met de eigen behoeftebevrediging. De mentale ontwikkeling is vooral gericht op een vergroting van lust, macht, en status. Bij de innerlijk paradijs-gedachte gaat het om meer omvattende doelen. Centraal staat de vraag, welke invulling geef ik aan mijn positie als mens in deze wereld. Wat is mijn persoonlijke bijdrage aan het proces waarvan ik deel uitmaak?
De genoemde geestelijke zuivering treffen we aan bij de verhalen over grote geestelijke leiders. Zo weten we, dat Gautama Boeddha zichzelf wilde zuiveren door zijn lichamelijke behoeftes te overwinnen en te mediteren. Door zijn begeertes te beteugelen wilde hij een toestand van verlichting bereiken. Dit is nog steeds een belangrijk onderdeel van de boeddhistische leer. Geestelijke reiniging is een standaard onderdeel van de wereldreligies. We treffen voorbeelden aan binnen de Islam, het Christendom en het jodendom. Steeds gaat het dan om reiniging van het kwade in jezelf. Dat kwaad in jezelf wordt dan aangeduid met het begrip zonde. Binnen de katholieke kerk heeft de reiniging van zonden lange tijd een centrale plaats ingenomen bij haar praktiserende gelovigen. Een belangrijk ritueel binnen die kerk is de biecht, waarbij de gelovige zijn of haar zonden overdenkt, ze deelt met een geestelijke, waarna ze vervolgens vergeven worden. Ofschoon het zondebegrip bij veel katholieken inmiddels in de vergetelheid is geraakt, blijft het toch een betekenisvol fenomeen. Het verwijst naar enkele fundamentele zwakheden die we als mens hebben, waardoor de toegang tot een paradijs onmogelijk wordt. Zo’n veertienhonderd jaar geleden stelde paus Gregorius 1 een lijst samen van zeven hoofdzonden waarin we onze tekortkomingen kunnen onderbrengen. Hij onderscheidde de volgende categorieën: Hoogmoed (superbia), Hebzucht (avaritia), Wellust (luxuria), Afgunst (invidia), Mateloosheid (gula), Woede (ira) en Gemakzucht (acedia). Deze zeven ondeugden zetten aan tot moreel verwerpelijk gedrag. Ofschoon de benaming 'zonde' misschien niet van deze tijd is, betreft het strevingen die aan actualiteitswaarde niets verloren hebben. Sterker nog, ze zijn in zeker opzicht misschien wel kenmerkend voor onze moderne leefstijl.
De hoofdzonden zijn voor veel kunstenaars (schrijvers, beeldhouwers, schilders) een inspiratiebron geweest voor groots werk. Het biedt schitterende mogelijkheden om de menselijke conditie op dramatische wijze weer te geven. Dat gebeurt onder andere door de Italiaanse schrijver Dante Aligheri (1265-1321). Zijn boek De Goddelijke Komedie geeft een gedetailleerde beschrijving van de wijze waarop een waarachtig gelovige zijn tocht naar het hemelse paradijs dient af te leggen. Dante schreef het boek rond zijn 35ste jaar, toen hij zelf in een persoonlijke crisis verkeerde. Hij was verbannen uit zijn geliefde Florence, en schuilde in de stad Ravenna, beroofd van zijn maatschappelijke positie. Een goed moment voor hem om zijn leefsituatie te overdenken, en dat deed hij ook. Hij realiseerde zich waarschijnlijk dat zijn succesvolle maatschappelijke carrière samenging met ondeugd. Om uiteindelijk toch deelachtig te kunnen zijn aan een goddelijk paradijs moest hij tot inkeer komen. In De Goddelijke Komedie maakt hij een tocht door de onderwereld: de wereld van de dode zielen. In het eerste deel van de tocht (de hel) wordt hij begeleid door de dichter Vergilius. Maar in het laatste deel van de tocht wordt dit overgenomen door Beatrice, de vrouw waar Dante een volmaakte liefde voor gevoeld heeft. In de hel ziet en beschrijft Dante, hoe de zondaars de meest vreselijke straffen ondergaan. Van de hel belandt hij op de Louteringsberg. Daar worden sommige doden gereinigd van hun zondige bestaan. Deze reiniging (de loutering) vindt plaats volgens het principe van contrappasso: de zonde wordt vervangen door haar tegendeel. Bij ijdelheid wordt de zondaar gedwongen een loden kap te dragen, die hem dwingt om nederig naar de grond te kijken. Bij valse profeten wordt het hoofd achterste voren gezet, waardoor ze achteruit in plaats van vooruit moeten kijken. Slechts een beperkte groep zondaars wordt gelouterd, en krijgt uiteindelijk toegang tot het paradijs. Het is geenblijde boodschap die Dante brengt. Maar het verhaal heeft wel een duidelijk thema. We dienen ons van onze zwakke kanten te bevrijden om ons tot ware mensen te kunnen ontwikkelen, en toegang te hebben tot een paradijselijke situatie.
De katholieke boodschap van zonde en loutering zal vandaag de dag maar weinig mensen aanspreken. Het past niet meer in het wereldbeeld dat dominant is. Wij hoeven de toegang naar een paradijselijk leven niet langer te verdienen, maar hebben er recht op. Allemaal en evenveel. Dat lijkt de moderne variant van onze levenstocht te zijn geworden. Maar als we naar de feitelijke stand van zaken kijken, dan is zo’n paradijs voor iedereen nog erg ver weg. Misschien dat we dit ook nooit zullen bereiken, wanneer we niet zijn toegerust voor een paradijselijk leven. Laten we daarom de omgekeerde weg bewandelen. Deze begint met je eigen geschiktheid als bewoner van een paradijs. Wellicht dat daarna het paradijs zelf ook dichterbij komt. Het katholieke zondebesef en de loutering heeft sterk het karakter van iets dat van buitenaf wordt aangestuurd. Er is een God die toezicht houdt op goed en kwaad, en die bepaalt wie beloond wordt met een paradijselijk leven. Bij het idee van een innerlijk paradijs komt die sturing van binnenuit. Je streeft naar een vollediger invulling van menszijn, om daarmee toegang te krijgen tot een paradijselijke zijnstoestand.
Om misverstanden te voorkomen: dit is geen poging om de lezer te bekeren tot het katholicisme, judaïsme, islam of welke andere kerkelijke instelling. In tegendeel zelfs. Kerkelijke instellingen hebben het streven naar een paradijs geëxternaliseerd. Er zou sprake zijn van een andere plek, waarvan de toegang streng wordt bewaakt door een bestuurder van die kerkelijke organisatie. Daardoor wordt het vooruitzicht van een paradijs vooral gebruikt om mensen te onderdrukken en voor discriminatie. Het gaat me om het onderliggend thema, dat aan veel religies ten grondslag ligt. Wij kunnen onszelf zien als wezens, die een missie hebben binnen het kosmisch gebeuren. Die missie is belangrijk om zin te geven aan ons zijn. Ze bestaat eruit, dat we onszelf transformeren naar een betere versie van onszelf. Daarvoor is een geestelijke reiniging een noodzakelijk voorwaarde.
Het grote verlangen
Ze lijken onverenigbaar met elkaar: de dagelijkse realiteit en onze droom van een paradijselijk leven. Waarschijnlijk is dat de reden, waarom veel paradijszoekers de dagelijkse realiteit proberen te ontvluchten. Ze zoeken een paradijs in een vakantieresort, op een cruiseschip, of in een verwenweekend in een wellness-centrum. Als het budget dit niet toestaat, vluchten ze in een virtuele wereld door te gamen of in een fantasiewereld via Netflix. De dagelijkse realiteit lijkt voor veel mensen onverenigbaar met het leven in een paradijs. Daarom worden we door veel religies aangespoord om het paradijs te zoeken in een wereld na dit leven. In een hiernamaals. Het volgt op een aards leven vol ontberingen, en is alleen bestemd voor een selecte groep mensen: de uitverkorenen. Als je uitverkoren bent, krijg je na je dood toegang tot een heel andere wereld. Een wereld die een andere logica heeft. Een wereld van schoonheid en van vrede. Maar wat als er geen leven is na de dood? Als je genoegen moet nemen met dit ene aardse leven?
De belofte van een paradijselijk leven in een hiernamaals gaat ervan uit, dat we leven in twee verschillende werelden: de wereld waarin we dagelijks vertoeven (het aardse leven) en een verre. paradijselijke wereld. Het aardse leven is eigenlijk uitsluitend een voorstadium. Een beproeving, waarin wordt vastgesteld of we na onze dood doorgaan naar het ware leven: het paradijs. Dat is overigens maar voor een kleine groep weggelegd. De meeste mensen wordt zo'n paradijselijk leven ontzegd. In het slechtste geval staat je iets te wachten wat onvoorstelbaar vreselijk is: het verblijf in een hel. Nou ja, als je wel eens een museum voor klassieke kunst bezoekt, dan weet je wat je daar te wachten staat. Duivels die je pijn doen en lotgenoten die nog slechter zijn dan jijzelf. Er zijn ook andere, meer positieve ideeën over de gang van zaken na je dood. Bijvoorbeeld het idee, dat je herboren wordt en een nieuwe kans krijgt om door te gaan naar het paradijs.
Het idee dat er een leven is na dit aardse leven, is in onbruik geraakt. Het past natuurlijk beter binnen het wereldbeeld van de Middeleeuwen dan in het wetenschappelijke wereldbeeld van tegenwoordig. We hebben nog geen paradijs kunnen ontdekken in de kosmos, en gelukkig ook geen hel. Dat lijkt misschien goed nieuws, maar er zitten ook negatieve kanten aan. Een tweede leven, en dan ook nog in een paradijs kan voor mensen die moeten leven in beroerde omstandigheden (armoede, oorlog, geweld) een hoopvol vooruitzicht zijn. Er komt ook nog een ander leven, waarbij zaken rechtgetrokken worden. Na dit beroerde leven kun je overstappen naar een leven, dat alleen maar goed is. Althans, mits je je goed gedragen hebt. Het verdwijnen van een leven na dit aardse leven is ook lastig voor mensen in gunstige omstandigheden. Mensen die in vrede kunnen leven, die rijk zijn en die niet met geweld geconfronteerd worden. Dat mooie aardse leven is namelijk eindig, en niemand doet graag afstand van wat hij of zij heeft. Bovendien,,, waarom doe je het allemaal, als je weet dat alles vergankelijk is?
Dan maar stoppen met het denken aan een paradijs? Het klinkt misschien pedant, maar ik denk van niet. Er is geen enkel bewijs voor een paradijselijk leven na dit aardse, maar er is toch een andere reden om de paradijs-gedachte te behouden. Ik denk daarbij aan een psychologische reden. Het woord paradijs verwijst naar een gevoelstoestand, een emotionele ervaring. Niet naar een plek, maar naar jouw beleving van de dingen. Daarmee komen we bij het goede nieuws. Jouw paradijs is eigenlijk vooral een kwestie van hoe je naar de dingen kijkt. Dat is goed nieuws, omdat je daardoor een paradijselijk leven dichterbij kunt halen. Wees realistisch, je hebt maar weinig invloed op de dingen die gebeuren. Je zult vooral moeten accepteren dat de wereld draait zoals die draait. Jij zit niet aan de controleknoppen, en hebt daardoor maar weinig invloed op de loop der dingen. Maar je hebt wel invloed op de wijze waarop je naar de dingen kijkt. Waar je aandacht voor hebt, en wat je denkt. Dit gegeven maakt een groot verschil. Leven in een paradijs houdt namelijk is, dat je aandacht hebt voor het bijzondere, voor het detail, voor de samenhang en de verbondenheid der dingen. Dat je kijkt met verwondering, en wel in twee opzichten. Dat je gefascineerd bent door wat deze wereld jou te bieden heeft. En dat je in staat bent om daarin de magie te zien.
Het onderscheid tussen de dagelijkse realiteit en een paradijselijk leven is daarmee vooral een kwestie van perceptie. Je kunt gewend zijn om op een heel narrow minded wijze naar de wereld te kijken. In zekere zin is dit ook de manier waarop je tegenwoordig wordt geleerd om naar je omgeving te kijken. Het is deel van onze moderne culturele ontwikkeling: de verdingeligheid. We hebben afscheid genomen van de natuurmens, die leeft in een wereld van magie, van geesten en van demonen. Onze rationaliteit heeft ertoe geleid, dat we de wereld geobjectiveerd hebben. We hebben zoals de theologe Karen Armstrong in haar boek De heilige natuur beschrijft de natuur ontzield. We leven daardoor in een wereld die in zichzelf zinloos is, en hetzelfde geldt voor onze aanwezigheid daarin. Zag de natuurmens zichzelf nog als onderdeel van een bezielde wereld, in ons rationele denken is die ziel verdwenen. Wij leven in een betekenisloze wereld, en de enige missie die we hebben, is overleven. Volgens Armstrong heeft de goddelijke natuur van de natuurmens plaats gemaakt voor de goddeloze natuur van de moderne mens. Een zee is verworden tot een plas water en de aarde is iets om te asfalteren of om aardappelen op te telen. De zin der dingen zit vooral (en misschien wel uitsluitend) in ons vermogen om ze te gebruiken. Dat geldt niet alleen voor de wereldzeeën en de aarde, maar ook voor de andere organismen die we tegenkomen. Een koe wordt niet meer waargenomen als een indrukwekkend rund, maar als een melkfabriek. Een varken is een rondlopende karbonade. Een soortgenoot uit een ander land is een parasiet of een slaaf, maar wordt nog nauwelijks als medemens gezien. In ons dagelijkse leven zijn we überhaupt maar weinig bezig met de dingen om ons heen. Als we in een file staan, kijken we niet naar het landschap buiten, maar naar Google Maps en zoeken we naar mogelijkheden om vijf minuten tijd te winnen. We leven in een wereld van afspraken, agenda’s van verplichtingen.
Toch is er goed nieuws. Een paradijselijk leven is mogelijk als je de switch maakt naar een andere manier van naar de dingen kijken. Je bent in staat om (opnieuw) het wonder dat leven heet, te ervaren. Je zult daarvoor eerst een innerlijk paradijs moeten bouwen, om daarna het paradijs buiten jezelf te kunnen zien.
De vloek van het te veel
Zijn wij ooit in de geschiedenis uit het paradijs verdreven? Veel religieuze geschriften zeggen van wel. Neem het Christendom. Het oude testament beschrijft, hoe Adam en Eva ooit gelukkig samenleefden in het paradijs. Het ging mis, toen ze ongehoorzaam waren aan God, en aten van de boom van goed en kwaad. Dat was nadrukkelijk verboden, en de straf was genadeloos: Zij moesten het paradijs verlaten. De verdrijving uit het paradijs is binnen het Christendom deel van ons menselijke bestaan. Want niet alleen Adam en Eva moesten vertrekken, maar alle nazaten van hen kregen eenzelfde straf. Het paradijselijk leven was voor alle mensen verloren. Slechts een kleine groep (de uitverkorenen) mochten nog hopen op een terugkeer in een volgend leven. Maar inmiddels zijn we enkele duizenden jaren later, en het blijft onduidelijk wanneer dit heugelijke feit zich zal voordoen.
Dat is de historische kant van het paradijsverhaal. Omdat dit allemaal zo lang geleden plaats vond, kunnen we niet meer vaststellen of het ook zo is gegaan. Ik vermoed ook, dat veel mensen zich niet meer met deze kwestie bezighouden. Dat was toen, en we leven nu. Laten we daarom de overstap maken naar een meer psychologische benadering van de paradijs-gedachte. Misschien is het niet zo zinvol, om te spreken van een verdrijving uit het paradijs. Beter is het om te zeggen, dat we het paradijs zijn kwijtgeraakt. Geen oorspronkelijk gedachte overigens, omdat John Milton daar al zo’n 350 jaar geleden over schreef in zijn Paradise Lost. Maar ik wil de kwestie nog meer toespitsen op ons moderne brein. We zijn het bewustzijn van een paradijs kwijtgeraakt. Dat is een beschrijving die beter aansluit bij de tijd waarin we leven: hoe we leven en hoe we ons gedrag verklaren. De moderne Westerse mens leeft in een wereld van extreme welvaart. Wat dat betreft zou je kunnen bedenken, dat het paradijs al gerealiseerd is. Als je zin hebt in aardbeien, ga je naar de supermarkt en koop je een bakje aardbeien. Ze liggen daar gewoon op je te wachten. Wil je veel aardbeien, dan neem je twee, drie bakjes. Wil je morgen ook aardbeien, de voorraad is weer aangevuld. Ook als het midden winter is, er zijn altijd aardbeien in voorraad. Maar, ben je nog in staat om ook de aardbei te proeven. Kun je je het moment herinneren, dat je door je moestuin liep, en zag dat de eerste aardbei rijp was. Dat je haar voorzichtig plukte, en in je mond stak. Dat je tong gestreeld werd door de heerlijke smaak van de verse aardbei? Dát is een paradijs. Als een vak in de supermarkt helemaal rood ziet van de aardbeien, je besluit om een bakje mee naar huis te nemen, je vult een beschuit helemaal met aardbeien, en doet daar nog een stevige dot slagroom op, proef je dan nog aardbei? Nee...
Onze extreme welvaart heeft betrekking op de beschikbaarheid van producten. Het woord product kun je daarbij heel ruim nemen. Het loopt uiteen van fruit, tot apparatuur, reizen, diensten, tot woningen. We leven in een wereld waarin alles te krijgen is. Wil je in de winter naar de zon, dat kan. Zelfs voor een heel schappelijk prijsje. Wil je helemaal verwend worden, dan ga je naar een resort met alles inclusive. Bijna de hele dag kun je gebruik maken van het restaurant, de bar is tot diep in de nacht open, en ’s avonds luister je naar live muziek. Mensen in de Westerse wereld lijden niet langer aan een tekort, maar een teveel. Met je museumjaarkaart heb je toegang tot tientallen musea, waar je niet enkele schilderijen van bekende en onbekende meesters kunt bewonderen, maar tientallen, honderden schilderijen. Om de drie maanden is in datzelfde museum ook nog een nieuwe tentoonstelling, zodat je je weer opnieuw een middag kunt vergapen aan de werken van andere meesters. Door een abonnement te nemen op Spottify heb je toegang op praktisch alles wat er ooit op een plaat of cd is vastgelegd. Deze muziek is op elke plek beschikbaar. Terwijl je in de trein zit, komt via oortjes een concert van Mahler binnen of kun je meezingen met een oude lp van Van Morrison. Via Wikipedia heb je met enkele bewegingen op je toetsenbord de beschikking over alle kennis die door wetenschappers over de hele wereld is vastgelegd. Ben je tijdens een visitegesprek vergeten, wie op dit moment voor de BBB in de regering zit, dan kun je met behulp van Google snel je politieke kennis up to date maken. Je krijgt zelfs meteen een fotootje op je scherm van de persoon die je zoekt.
De wereld is veranderd sedert de tijd van de oude Schriftgeleerden. Dat geldt in elk geval voor onze Westerse wereld, want onze welvaart heeft natuurlijk een keerzijde, Maar die wordt ervaren in een deel van de wereld, dat niet echt meedoet. Zij zitten in een soort wachtruimte, soms een heel povere en ongezonde ruimte. Ze moeten daar enkele jaren wachten voordat ze mogen meedelen in deze welvaart. Ofschoon bij ons sprake is van een ongekende welvaart, ontbreekt bij de meeste Westerse mensen toch het paradijsgevoel. Zoiets van: we leven in een paradijs, maar het voelt niet echt zo. Hoe is dat te rijmen? Hoe kun je als samenleving zo rijk zijn, en toch niet het gevoel hebben dat het einddoel (het paradijs op aarde) is bereikt? Daarvoor duiken we eerst de geschiedenis in, om een belangrijke maatschappelijke verandering te benoemen. Misschien wel het moment waarop we het paradijs zijn kwijtgeraakt. Een tijdsperiode die vergaande gevolgen heeft voor onze psychologische gesteldheid. We keren terug naar het Bijbelse verhaal over de verdrijving uit het paradijs. Het beeld van zo’n verdrijving paste natuurlijk in een wereld waarin grote groepen mensen hun leven in armoede en ellende moesten doorbrengen. Het lijden dat zij voelden, werd door priesters en bestuurders verklaard als een straf van God. Daarmee was het lijden een rechtvaardig lijden. Het mensdom, of in elk geval een grote groep mensen, lijdt omdat er gezondigd is. Natuurlijk was er een kleine groep mensen die daarvan uitgesloten was. Maar dat kwam weer voort uit hun maatschappelijke positie: de adel. Zij stond tussen God en het volk. Met de opkomst van de handel in de 17de eeuw, en vooral na de industriële revolutie van de 19de eeuw, ontstond er een aanzienlijke nieuwe groep welvarende mensen: de industriëlen en de handelaren. Er ontstond een steeds grotere tweedeling in de samenleving van een relatief kleine groep mensen die een grote welvaart hadden (het Kapitaal) en mensen die alleen hun arbeid hadden om geld te kunnen verwerven. Hé, zul je misschien denken, is dat niet Karl Marx. Precies. Hij heeft er een aardig boekwerkje over geschreven: Das Kapital. In de jaren zestig was dit min of meer verplichte literatuur, als je sociale wetenschappen studeerde op een Nederlandse universiteit. Maar in diezelfde jaren zestig publiceerde een andere Duitser een boek, dat nog meer in de belangstelling kwam: Herbert Marcuse. Hij was vanwege zijn joodse achtergrond en zijn politieke overtuiging naar de Verenigde Staten gevlucht. Hij schreef over de psychoanalyse van Freud en gaf een sociaalpsychologische aanvulling op het Marxisme. Het komt er eigenlijk op neer, dat het kapitalistische systeem onze Westerse psyche behoorlijk verziekt heeft. Om de welvaart te kunnen handhaven, moesten er voldoende afnemers zijn voor al het fraais dat geproduceerd werd. Het arbeidende volk moest daarvoor meedelen in de welvaart, zodat ze niet alleen produceerden, maar ook konden consumeren. Een nieuw type mens werd ontwikkeld: de consumerende mens. Hij werkte in de fabriek om geld beschikbaar te hebben voor producten die in die fabrieken geproduceerd werden. Het kapitalistisch systeem had een soort cyclus ontwikkeld: We laten mensen werken, zodat ze de producten kunnen kopen, die ze hebben geproduceerd. De winst die wordt gemaakt door de industriëlen, wordt weer gebruikt om nieuwe producten te ontwikkelen, die weer aan de man gebracht worden. We noemen dit het Neokapitalisme. Je hebt daarbij dezelfde tweedeling: ondernemers die de beschikking hebben over de productiemiddelen en daarnaast het werkvolk. Groot verschil met het kapitalisme oude stijl is, dat de arbeiders ook moesten consumeren. Daardoor kan de molen blijven draaien. Dat Neokapitalisme doet het economisch gezien goed. Dat kun je ook wel zien als je per trein via de Zuid-as Amsterdam binnenkomt, of wanneer je met je auto in het Botlekgebied verdwaald raakt.
Maar nu de sociaalpsychologische aanvulling. In zijn boek De Eendimensionele Mens beschrijft Marcuse, welke gevolgen de veranderde economie heeft gehad op het geestelijke functioneren van de Westerse mens. Wil zo’n neokapitalistisch systeem kunnen blijven functioneren, dan moeten er steeds nieuwe behoeftes worden ontdekt. Gebeurt dit niet, dan valt er nog maar weinig te verdienen, en valt de motor van het systeem stil. Essentieel binnen dit verdienmodel is -ik noemde het al- consumeren. Om dit consumeergedrag impulsen te geven, moeten mensen steeds nieuwe behoeftes aangepraat krijgen. Hierin speelt natuurlijk de reclamewereld een belangrijke rol. Een groot gedeelte van de informatie die dagelijks via IPad, IPhone of krant binnenkomt bestaat uit reclame. Bijna 24 uur per dag word je gebombardeerd met de boodschap, dat je nog iets nodig hebt. Of dit nu een andere vakantiereis is, een nieuwe jas of een abonnement op een tijdschrift, we worden voortdurend uitgenodigd om onszelf te zien als behoeftige wezens. Op de terugreis van je vliegreis naar Tenerife zie je op het beeldscherm voor je, dat er eigenlijk nog veel mooiere bestemmingen zijn, die je zeker bezocht moet hebben. Onder andere door de reclamewereld worden mensen gedeformeerd tot wezens die eigenlijk nog uitsluitend oog hebben voor snelle behoeftebevrediging. Er treedt een versmalling van het bewustzijn op, en dit noemt Marcuse typerend voor de eendimensionele mens. Hij benadrukt dat we door deze beïnvloeding steeds verder af komen te staan van onze werkelijke behoeftes, en nog enkel functioneren op een heel smal, oppervlakkig niveau. Het beeld dat daar goed bij past is de museumbezoeker die snel van elk schilderij een foto maakt, zodat hij dit kan toevoegen aan zijn of haar collectie. Hij kijkt niet meer, maar legt het vast. Wij kijken niet meer naar de wereld om ons heen, maar haasten ons naar de volgende bestemming. En ondertussen kijken we op onze smartphone naar een aanbieding van H&M of Ikea, of happen we in een Big Mac.
Herbert Marcuse werkt zijn ideeën over de ongezonde westerse samenleving verder uit in zijn boek Eros and civilization. Hij stelt dat de huidige technologie ons de mogelijkheid zou bieden om een echt paradijselijk leven te leiden, maar dat we er steeds verder van verwijderd raken. De moderne mens werkt steeds meer om daarmee al die dingen te kunnen doen, die hij of zij in de moderne tijd geacht wordt te doen. Dit gaat ten koste van aandacht voor de dieperliggende behoeftes en aandacht voor de mensen in je directe omgeving: de partner, de kinderen. Het leven wordt gereduceerd tot werk en de korte termijn beloningen: consumeren. We raken van ons ware zelf vervreemd, en leven nog enkel in persona’s; rollen die we vervullen binnen het systeem.
Het gedachtegoed van Marcuse was vooral populair in de jaren zestig tijdens de studentenrevoltes. Het sloot aan bij communistische ideeën over de macht van het industrieel-militaire complex, de onderdrukking van het vrije denken en het verlangen naar een vreedzame en liefdevolle wereld. Marcuse had zijn hoop ook gezet op deze studentenbeweging, maar inmiddels kunnen we concluderen dat dit een verkeerde inschatting is gebleken. De dreiging dat het moderne leven ons steeds verder afdrijft van onze eigen aard en onze wezenlijke behoeftes is eerder toegenomen dan afgenomen. Is er nog wel een uitweg voor de ware paradijszoeker, is dan de volgende vraag. Als we kijken naar de feitelijke omstandigheden is er weinig reden tot optimisme. Systemen hebben de neiging om zichzelf in stand te houden, en dat geldt ook voor ons economische systeem. Het besef begint wel door te dringen, dat we niet ongestraft kunnen doorgaan met de aarde op te consumeren. Dat Thanatos zich steeds meer begint te roeren. Maar de oplossingen voor de belangrijkste problemen (klimaat, oorlog, verdeling rijkdom, vervuiling) worden gezocht in maatregelen die het systeem in stand houden. Er is een grote onwil, en misschien wel onvermogen, om hierbij out of the box te denken. Dus wat de feitelijke omstandigheden betreft moeten we Marcuses pessimisme delen: er is wel de theoretische mogelijkheid om een paradijs op aarde te maken, maar niet echt de wil. We zijn te druk met werken en consumeren. Maar Marcuse zag nog een andere uitvlucht: de esthetische dimensie. Hij verwijst daarmee naar de rol die de kunst kan spelen bij de bevrijding van onze geest. Kunst maken en ervaren stelt ons in staat om belangeloos naar dingen te kijken. Niet om ze te hebben of om er verder nog iets mee te doen, maar enkel om te ervaren. Maar daarover een andere keer meer.
Paradijselijk bestuur
Voor veel mensen is een paradijs een fantasiebeeld. Iets wat enkel in je fantasie bestaat, en nooit werkelijkheid zal worden. Toch zijn er wel degelijk serieuze plannen gemaakt voor het realiseren van zo’n paradijs. We hebben het dan over uitgewerkte plannen voor een paradijselijke heilstaat door of voor bestuurders. Het gaat hierbij om de vraag, aan welke condities een ideale staat moet voldoen. Als bestuurders zich hiermee bezighouden, gaat het vooral over de ideale staatsvorm. Wie regeert, en hoe is de verhouding met de mensen die geregeerd worden? Naast een beschrijving van de staatsvorm, wordt impliciet of expliciet ook een beeld geschetst van hoe het er in het dagelijks leven van zo’n paradijs aan toegaat. Wat doen mensen, en wat is hun verhouding met andere schepselen? Wat zijn belangrijke waarden en aan welke regels dienen mensen zich te houden. Hoe is de omgang tussen de seksen, en hoe zit het met de opvoeding van het nageslacht. Een voorbeeld van zo’n plan voor een ideale staat treffen we aan in het boek Politeia van de Griekse filosoof Plato.
De filosoof Plato leefde in het Griekenland van ongeveer 300 jaar voor onze jaartelling. Hij was zelf geen bestuurder, maar kwam wel uit een invloedrijke familie van de stad Athene. Plato hoort tot de klassieke Griekse wijsgeren. Zijn filosofie is sterk beïnvloed door zijn grote leermeester Socrates. Deze heeft zelf geen geschriften nagelaten, zodat we hem vooral kennen via het werk van Plato. Plato had zeer uitgesproken ideeën over de ideale staat, en hij beschrijft deze in het boek Politeia (Nederlandse vertaling: De ideale staat). Daarin geeft hij antwoord op de vraag, hoe een rechtvaardige staat er uit ziet. Het boek heeft het karakter van een dialoog tussen enkele personen, waarbij Socrates de centrale figuur is. In eerste instantie gaat het om de vraag, hoe een paradijselijke staat bestuurd wordt. Rechtvaardig bestuur hoort tot de drie uitdagingen van de staat. De andere twee uitdagingen zijn bescherming tegen externe vijanden en economische voorspoed. Deze drie uitdagingen corresponderen met de drie maatschappelijke lagen die Plato aanbrengt: bestuurders, strijders en vaklieden. In Politeia geeft Plato ook een beschrijving van het dagelijkse leven in deze heilstaat.
In de ideale staat van Plato doen mensen datgene, waar ze goed in zijn. En waar je goed in bent, hangt weer samen met je zielsgesteldheid en met je opvoeding. Laat ik beginnen met de zielsgesteldheid. Plato onderscheidt drie facetten in onze persoonlijkheid, namelijk de rede, de wilskracht en tenslotte de drift. Het driftmatige deel van onze persoonlijkheid is gericht op lustbevrediging. Het wordt sterk geleid door lichamelijke behoeftes, en heeft veel overeenkomsten met wat Sigmund Freud later zou beschrijven als het Es. Het dierlijke in de mens, dat plezier wil ervaren. Dit deel van de persoonlijkheid is het sterkst vertegenwoordigd, maar kan in toom gehouden worden door onze wilskracht. Wilskracht en moed zijn het gereedschap, dat ons in staat stelt om met externe dreiging om te gaan. Mensen die deze kwaliteit sterk ontwikkeld hebben, zijn op basis hiervan uitermate geschikt voor het leger. Hun moed stelt hen in staat om agressie van buitenlandse vijanden te bestrijden. De ratio ten slotte is onze verbondenheid met het geestelijke in het universum, en is de bron van wijsheid. Mensen met een goed ontwikkelde ratio zijn volgens Plato geschikt voor het landsbestuur, omdat zij de beschikking hebben over kennis en wijsheid. Daardoor zijn ze in staat om hun bestuurlijke taken goed te vervullen.
In principe kan iedereen zich ontwikkelen tot een bestuurder. Maar hij of zij zal daarvoor wel een langdurig scholingstraject moeten doorlopen. Plato dacht daarbij aan een gerichte praktische en theoretische opleiding, waarbij het driftmatige beheerst, en de wilskracht versterkt moet worden. De rationele dimensie van de persoon wordt ontwikkeld door studie in de filosofie waarin een belangrijke plaats wordt ingenomen door deugdzaamheid. De ideale staat wordt in de visie van Plato geleid door de filosoof-koning, daarin bijgestaan door een college van filosofen. Vanwege de intensieve scholing is een bestuurder vijftig jaar of ouder, wanneer hij of zij zijn werkzaamheden start. De ideale staat (hat paradijs) kent dus drie maatschappelijke lagen (handwerklieden, strijders en bestuurder), en de verdeling over de bevolking is vergelijkbaar met een piramide. De onderste (grootste) laag bestaat uit de handwerkers, de middenlaag uit krijgers, en de top bestaat uit de bestuurders. De onderste laag vertegenwoordigt het economische principe. Ze dient zich te richten op matiging van hun driften en verlangens. De middenlaag heeft een beschermende en verdedigende taak, en heeft als belangrijkste deugd moed. De bestuurders vormen de bovenste laag, en het is hun belangrijkste taak om kennis en wijsheid te ontwikkelen.
De ideale staat van Plato is geen democratisch geleide samenleving, integendeel zelfs. Naar zijn idee, is de democratie zelfs de slechtst mogelijke staatsvorm. Ze leidt ertoe, dat niet de wijsheid en deugdzaamheid regeert, maar domheid en eigenbelang. Hij maakt de vergelijking met darren in een bijenkorf. De dar is een (mannelijke) bij, die geboren is uit onbevruchte eicellen. In tegenstelling tot de werkbij, levert ze geen honing, ze voert geen larven en bouwt geen honingraten. Ze laat zich voeden door de werkbijen. Een democratie wordt geleid door menselijke darren, die uitsluitend uit zijn op eigen voordeel. Zijn favoriete bestuursvorm is de aristocratie. Ze wordt geleid door die mensen die filosofisch en militair de beste prestaties kunnen leveren. Om hen te helpen in hun bestuurlijke taken, leven ze in volledige gemeenschap. Ze delen alle emoties en opvattingen, vrouwen, kinderen en goederen met elkaar. Er is geen sprake van bezit, en geen mogelijkheid tot zelfverrijking.
Het idee, dat het paradijselijk leven niet democratisch bestuurd wordt, lijkt voor de moderne mens absurd. Democratie lijkt toch een belangrijke verworvenheid van een gelukkige, vrije samenleving. Waarom zouden we haar dan inleveren? Toch laten nogal wat ontwikkelingen in westerse democratieën zien, dat de dictatuur van de meerderheid niet steeds leidt tot de beste beslissingen. Zeker als we kijken naar thema’s als de klimaatcrisis, de verdeling van welvaart, en medemenselijkheid kunnen democratische besluiten het paradijs ook verder weg brengen.
De juiste dingen doen
Het is waarschijnlijk onderdeel van jouw paradijs-gedachte: in je leven zoveel mogelijk die dingen doen, die ook echt bij jou horen. De dingen die bij je passen, en waar je goed in bent, of waar je het meeste plezier uithaalt. Ik denk dat iedereen dit wel als een ideaal zal zien, en dat dit deel uitmaakt van de meeste paradijsfantasieën. Nou, wat je op het eerste gezicht als een idee fixe zult zien, is door sommige grote denkers wel degelijk uitgebreid doordacht en beschreven. Een van die grote denkers is de Griekse filosoof Plato, die zo’n 2500 jaar geleden in Athene leefde. Plato had eveneens de overtuiging, dat je als mens die dingen moet doen, waar je goed in bent. Omgekeerd houdt dit in, dat je de dingen waar je niet goed in bent, overlaat aan anderen. Hij koppelde dit uitgangspunt aan de mensvisie die hij in zijn filosofische geschriften predikt. Volgens Plato kunnen we de mensheid opdelen in drie typologieën, waarin verschillende mentale krachten overheersen: verlangen (epithymie), wilskracht en moed (thymos) of de rede (logos). Zijn typologie ligt ten grondslag aan de wijze waarop een samenleving opgebouwd dient te worden.
De onderste laag in de samenleving wordt gevormd door de producerende mensen. Zij hebben vooral een economische functie, en zorgen voor materiele welvaart. Zij worden vooral gedreven door behoeftes, verlangens, lust, en hun belangrijkste activiteit is arbeid en handel. Ze werken op het land en maken producten, waardoor we kunnen eten, wonen, en comfortabel kunnen leven. De middenlaag bestaat uit mensen die op basis van hun wilskracht en moed geschikt zijn om in het leger te dienen: de krijgers. Zij moeten in staat zijn, om ons veiligheid te bieden tegen vijanden van buitenaf. Belangrijke drijfveer voor krijgers is wilskracht en moed. Als vijandelijke mogelijkheden de veiligheid van een staat bedreigen, dan moet een land de beschikking hebben over een macht die onverschrokken terugslaat. De derde laag, de bovenlaag, bestaat uit mensen die het beste in staat zijn om het land te besturen, de bestuurders dus. Zij worden vooral geleid door wijsheid en deugdzaamheid. Daardoor zijn zij het meest geschikt om een land te besturen. Zij nemen wijze beslissingen en zorgen voor rechtvaardigheid.
Je kunt er van vinden wat je wil, maar dit is wel lekker overzichtelijk. Maar, is dan natuurlijk de vraag, wil niet iedereen in de bestuurslaag zitten? Nou, nee. Ik zie mezelf persoonlijk liever in de onderste laag zitten. Gewoon lekker mijn werk doen, en me niet hoeven bekommeren om allerlei bestuurlijke zaken. En mijn geschiktheid als krijger werd al vijftig jaar geleden negatief beoordeeld. Ik ben wel wilskrachtig, maar niet echt moedig. Met mij zul je geen oorlog winnen. Plato vindt niet, dat je iedereen moet laten doorstromen naar een bestuurlijke functie. Het moet aansluiten bij je kwaliteiten en je moet er een intensieve training voor volgen. Daarmee komen we bij een verschil met de democratische bestuursvorm zoals die in onze westerse samenleving gepropageerd wordt. Als je het bestuur van een land aan iedereen overlaat, heb je een heel middelmatig bestuur. Je loopt zelfs het risico op slecht bestuur wanneer sprake is van incompetentie of kwaadwillendheid.
Het beeld dat Plato schetst van de ideale staat zal bij menige lezer emotionele weerstand oproepen. Wij hechten veel waarde aan het idee, dat iedereen een even grote invloed heeft op het bestuur van het land of de stad waarin hij of zij woont. Dit is ook het uitgangspunt van ons democratisch bestuur. De bestuurlijke besluiten moeten een weerspiegeling zijn van de mening van het volk, en daarom is elke mening in principe even belangrijk. Plato stelt daar tegenover, dat het bij een goed bestuur gaat om wijze besluiten en om rechtvaardigheid. Er worden door hem dan ook heel hoge eisen gesteld aan de opleiding en de deugdzaamheid van bestuurders. Zij moeten zich niet laten leiden door hun persoonlijke behoeftes of door hun eigen mening, maar door wijsheid en deugdzaamheid. Hij licht het verschil tussen deze twee toe met zijn allegorie van de grot:
Een rij gevangenen zit vastgeketend in een grot. Ze kunnen alleen vooruit kijken. Achter hen bevindt zich een vuur, Tussen dat vuur en de gevangenen lopen mensen met voorwerpen. Deze zijn voor hen als schaduwen zichtbaar op de muur. De gevangenen weten niet beter, en ze zien de schaduwen als de realiteit. Zij zien alleen de verschijningsvorm der dingen. Niet de dingen zelf. De wijze filosoof daarentegen is in staat geweest om wel achterom te kijken, en een blik te werpen op de ware aard der dingen.
Om dat vermogen te ontwikkelen, moet hij of zij een intensieve scholing volgen. Deze stelt hem of haar in staat, om op te stijgen uit de wereld van de waarneembare en vergankelijke verschijnselen naar de onvergankelijke wereld van het zuivere zijn: de universalia. We komen daarmee uit bij de ideeënleer van Plato, die stelt dat de dingen een verschijningsvorm zijn van universele gedachten. Alles in deze wereld is slechts een aan verval onderhevig exemplaar van een ideaal, permanent idee. Daarover een volgende keer meer, wellicht. Belangrijk 0nderdeel van de scholing die bestuurders krijgen, is het afzien van bezit. Bezit leidt tot de drang om nog meer te bezitten, en dit weerhoudt de bestuurder om dienstbaar te zijn aan het collectieve belang. Een tweede ingrediënt van het scholingsprogramma is deugdzaamheid. Plato hecht veel waarde aan de persoonlijke ontwikkeling van de bestuurder, en benadrukt daarbij het belang van wijsheid, matigheid, rechtvaardigheid en moed. Wijsheid om de ware zin van het leven te zien, matigheid om onze behoeftes te temperen, rechtvaardigheid om het juiste te doen en moed om daar ook naar te handelen.
Klinkt goed, wat Plato beschrijft, maar de door hem nagestreefde ideale staat kan slechts bestaan bij goed geschoolde bestuurders. Plato heeft zelf pogingen gedaan, om de koning van Syracuse voor zijn ideeën te winnen, maar dit liep op niks uit. Het experiment om met hem zijn ideale samenleving te realiseren, mislukte. Als we kijken naar onze tijd, maken Plato’s plannen ook weinig kans. De moderne politieke leiders zijn vaak juist de tegenpolen van de wijze en deugdzame bestuurder zoals hij die voor ogen heeft. Ze hebben veel bezit en de gewenste deugdzaamheid is ver te zoeken. Er is veeleer sprake van pragmatisme, soms van opportunisme en vaak van egoïsme. Misschien moeten we zijn inzichten dan ook maar toepassen binnen ons innerlijk koninkrijk: onze mentale leefomgeving. Wees productief bij het gebruik van je talenten, heb de moed om te zijn wie je wil zijn, handel rechtvaardig naar de medemens, en laat je daarbij leiden door de rede. Waarschijnlijk is een externe bestuurder dan overbodig.
De uitverkorenen
Het lijkt oneerlijk, maar het is niet anders: niet iedereen heeft toegang tot het paradijs. Bij de ingang vindt selectie plaats, en dat betekent dat slechts een beperkte groep naar binnen mag. Eenmaal binnen, kun je vanuit een plezierige plek neerkijken op mensen, die geweigerd worden. Het paradijs blijft voorbehouden aan diegenen, die uitverkoren zijn. Maar wie bepaalt dit, zul je vragen. Nou, dat is weer afhankelijk van het soort paradijs waar je naartoe gaat. Er bestaan allerlei verschillende voorstellingen van het paradijs, en de ballotage is voor elk paradijs anders geregeld. Laat ik een overzicht geven van paradijzen, en de voorwaarden om binnen te komen.
De eerste voorstellingen van het paradijs treffen we waarschijnlijk aan in de mythologie. Daar zijn het uiteindelijk de goden die bepalen, of je al dan niet in de prijzen valt. In de Noordse mythologie is het de god Wodan, die beslist of je door de Walkuren wordt opgehaald. Maar je zult daarvoor eerst een strijdvaardig en moedig leven moeten leiden. In Walhalla is geen plaats voor zachtaardige en vredelievende mensen. Deze eigenschappen worden door Wodan als zwak beschouwd. In het Noordse paradijs is enkel plaats voor helden. Zij krijgen daar een uitgebreide maaltijd aangeboden met veel varkensvlees, waarna ze weer snel terugkeren naar de aarde om hun strijd voort te zetten,
In de Griekse mythologie wordt een heel ander paradijs beschreven, en zijn er ook andere regels om toe te treden. Plato vergelijkt de zoektocht naar het paradijs met de reis die elke individuele geest aflegt naar een geestelijke werkelijkheid. We dienen ons los te maken van de wereld der dingen en ons te verheffen naar de geestelijke werkelijkheid. Dat is de werkelijkheid waarin het Goede, het Ware en het Schone heersen. Om dit paradijs te betreden, is vooral deugdzaamheid belangrijk. Tijdens je leven zul je een intensieve training moeten doorlopen, die je maakt tot een wijs man of vrouw. Alleen deugdzame en wijze mensen hebben toegang tot een paradijselijk toestand van zijn.
Kenmerkend voor de Christelijke religie is de negatieve start. De mens is uit het paradijs verstoten vanwege zijn of haar zondigheid. Deze is op haar beurt weer het gevolg van ongehoorzaamheid. Ongehoorzaamheid aan God. De weg die je moet afleggen om uiteindelijk weer in het christelijk paradijs te komen, wordt gekenmerkt door onderdanigheid en gehoorzaamheid. In de katholieke leer zijn het de priesters die een bemiddelende rol kunnen spelen naar de strenge God. Zij kunnen een goed woordje voor je doen, waardoor je kansen toenemen. De katholieke kerk kon zich op die wijze ontwikkelen tot een heel krachtig beheersingssysteem, en was daarmee heel bruikbaar voor andere gezagsdragers, zoals koningen en tirannen.
In de marxistische leer bestaat het paradijs uit een klasseloze samenleving. Het is een paradijs op aarde, en daarmee een plek die we al tijdens ons leven kunnen meemaken. Bij marxistische schrijvers gaat het om de vrije beschikking over arbeid, en de volledige ontplooiing van de mens. De toegang tot dit paradijs wordt alleen bereikt door strijd; de klassenstrijd. In de niet-paradijselijke wereld is sprake van een tegenstelling tussen arbeid en kapitaal. Arbeiders worden gedwongen om zichzelf als koopwaar aan te bieden aan kapitalisten, die de beschikking hebben over de productiemiddelen. De winst van hun arbeid gaat uiteindelijk naar deze klasse van kapitalisten, die steeds rijker en machtiger worden. Om in het marxistische paradijs te komen dien je je aan te sluiten bij andere arbeiders en moet een revolutie worden gepleegd.
Het kapitalistische paradijs bestaat uit de belofte van een steeds toenemende welvaart. Die welvaart behelst dan het bezit van luxe: uiteenlopend van auto’s tot vakantiehuisjes en sieraden. Dit paradijs is niet voor iedereen weggelegd, maar je kunt je kansen vergroten als je het handig aanpakt. Allereerst moet je natuurlijk op de juiste plek zitten. In sommige werelddelen is de kans om het kapitalistische paradijs binnen te treden groter, dan op andere. Traditioneel zijn Europa en Amerika de landen die het goed doen. Een tweede voorwaarde is, dat je anderen voor je laat werken. Het zal je niet lukken om in de 24 uur die een dag telt voldoende te doen, om tot grote welvaart te komen. Maar als je anderen voor je laat werken, dan tikt dat aardig door. En dan een derde eigenschap: stel jouw behoeftes op de eerste plaats, of kort gezegd: Ikke Eerst. Om je filosofie naar buiten uit te dragen, kun je een rood petje op je hoofd zetten met de kreet Maak Mij Weer Groot! Je zult zien, dat veel mensen zich dan bij je aansluiten.
Er zijn veel wegen die naar Rome leiden, en hetzelfde geldt voor de weg naar het Paradijs. Misschien is het een paradijselijk idee, dat je kunt kiezen. Kunt kiezen voor welk paradijs je gaat, en wie daar toegang toe heeft (en wie dus niet). Nou ja, denk daar maar eens over na.
De innerlijke weg
Het paradijs komt, als de bewoner er rijp voor is. Op die wijze kun je de psychologische reis naar het paradijs samenvatten. Wij zijn gewend om het paradijs gelijk te stellen met een plek in het universum. Een mooi ommuurde tuin, een tropisch eiland, een nieuw ontdekt continent, een vakantie-resort met onbeperkt eten en drinken, en ga maar door… De zoektocht is dan een reis in de materie. Waar ligt het beloofde land dat voldoet aan al mijn behoeftes? Maar we kunnen de zoektocht naar het paradijs ook verbeelden met een geestelijke onderneming. Daarbij kun je denken aan een geestelijke ontwikkeling die de reiziger doormaakt. Ze stelt hem/haar in staat om het paradijs te kunnen waarnemen. Dat is zo ongeveer de essentie van de onderneming die wordt aangeboden door grote wereldgeesten als Plato en Boeddha. Zij hebben het over een innerlijke weg die de reiziger dient te volgen, om uiteindelijk een paradijselijke toestand te bereiken. Laat ik dit idee toelichten met de opvattingen die de Griekse wijsgeer Plato daarover beschreef.
Plato stelt in zijn werken, dat we leven in twee verschillende dimensies of werelden. In de wereld van de materie en die van de geest. Beide werelden beïnvloeden elkaar, maar in de opvattingen van Plato is de geestelijke dimensie essentieel. De materiële wereld is vergankelijk en voortdurend aan verandering onderhevig. Hij sluit met deze stelling aan bij een andere Griekse wijsgeer, Herclitus, die stelt dat je geen twee keer in dezelfde rivier kunt stappen. Ze heeft wel dezelfde naam (Maas, Rijn), maar de verschijningsvorm is anders. Wat onveranderlijk is, dat zijn de beelden die we hebben, en die ons in staat stellen om iets een rivier te noemen. Als we deze redenering toepassen op het paradijs, komen we uit bij het volgende. Natuurlijk kan een bepaalde plek (bijvoorbeeld IJsland) voor mij associaties oproepen van een paradijs. De krachtige natuur, de ongereptheid. Maar dit is enkel een verschijningsvorm. Ik zal weldra geconfronteerd worden met zaken die niet passen bij een paradijs: vervuiling, industrie, etc. Het paradijs is een denkbeeld, dat in onze geest is opgeslagen. We kunnen dat misschien wel verbeelden, maar zullen het waarschijnlijk nooit echt betreden. Klinkt ingewikkeld misschien, maar het werpt een andere blik op wat je je bij de zoektocht naar het paradijs dient voor te stellen.
We gaan nog een stapje verder met die Plato, omdat hij waarschijnlijk de beste gids voor ons is. Hij vertelt, dat de zoektocht naar het paradijs een geestelijke ontwikkeling is. De route er naartoe is de weg van zelfkennis. Door naar binnen te treden zet je de eerste stap naar deze reis. Jouw binnenwereld bestaat (volgens Plato) uit dierlijke verlangens, uit wilskracht en uit je ratio (verstand). Alle drie zijn nodig voor je overleving, maar er zal een evenwicht moeten zijn. Dat evenwicht ziet Plato in een goede taakverdeling. Hij maakt de vergelijking met een wagenmenner met twee paarden in zijn span. Het ene paard (verlangen) zoekt de lusten en stuwt ons naar beneden. Het andere (wilskracht) geeft ons kracht en stuwt ons naar boven. De menner (ratio) zal beide paarden moeten laten samenwerken, en dient onze geest te richten op het ware, het schone en goede. Hij ziet deze als de drie fundamenten van een paradijselijk bestaan. De zoektocht naar het paradijs eindigt in een geest, die het verschil ziet in datgene wat ertoe doet, en wat onbelangrijk is. Ze heeft oog voor schoonheid omdat dit ons geluk vergroot. En ze zet aan tot een rechtvaardige omgang met anderen.
De ideeën van Plato zijn belangrijk voor onze huidige tijd. Wij zijn in staat, om een werkelijkheid te creëren die veel kenmerken heeft van een paradijs. Natuurlijk, bezoek het strand van Vrouwenpolder of laat je verwennen door een tweesterren-kok om even in die waan te zijn. Maar je kunt het paradijs pas kennen, als je er een goed beeld van hebt, en… je weet hoe een paradijsbewoner zich dient te gedragen. Hoe denkt hij of zij, hoe handelt hij of zij? Hoe ontvangt hij/zij bezoekers van dat paradijs, en mogen zij er ook deel van uitmaken? Er wordt in onze huidige tijd maar weinig aandacht gegeven aan de innerlijke weg naar een paradijselijke wereld. Dat is jammer, maar gelukkig zijn er goede gidsen zoals Plato. Een andere gunstige omstandigheid is, dat je elk moment kunt beginnen met je eigen zoektocht. Dus vandaag kan je een stapje dichterbij brengen.
Matiging
De Griekse wijsgeer Plato vatte het kort samen: Wie niet tevreden is met wat hij heeft, zal niet tevreden zijn met wat hij krijgt. Beter kan het waarschijnlijk niet gezegd worden. Met dit citaat maakt hij duidelijk, dat tevredenheid een emotie is die betrekking heeft op wat is. Niet op wat er nog kan komen of wat ook nog mogelijk is. Tevredenheid verwijst noodzakelijk naar een begrenzing; naar datgene wat je nu hebt of wat je ten deel valt. Ontevredenheid daarentegen verwijst naar wat niet is. Naar wat je graag zou willen hebben of wat misschien nog veroverd moet worden. Als je alleen tevreden kunt zijn met wat je krijgt, dan ben je nooit tevreden. Er is immers altijd nog meer. Je kunt de vergelijking maken met een verslaving. Ook daarbij is steeds sprake van een verlangen naar datgene wat nog moet komen: een nieuwe sigaret, een nieuw stuk chocola of een ander hebbedingetje. Als je alleen gelukkig kunt zijn met wat je nog moet krijgen, weiger je om begrenzing te accepteren. Plato wil ons met zijn uitspraak ook aansporen tot matiging. Hij beschrijft dit beeldend met de allegorie van een wagenspan dat wordt voortgetrokken door twee paarden. Het ene paard is gericht op behoeftebevrediging, en hunkert steeds naar meer. Het andere paard vertegenwoordigt wilskracht en wordt aangestuurd door onze rede. De wagenmenner dient deze paarden te laten samenwerken, en zal daarbij het hunkerende paard moeten afremmen.
Tevredenheid en dan dus tevredenheid met wat je hebt, is in onze westerse cultuur een lastig dingetje. Als je maar weinig welvaart kent, krijg je regelmatig te horen dat je tevreden moet zijn met wat je hebt. Dat klinkt dan vaak als een verwijt. Zo in de zin van: je verdient niet meer. Je moet niet klagen. Wees blij dat je überhaupt iets hebt. Maar aan de andere kant past tevredenheid ook niet bij het moderne beeld van de ‘ambitieuze mens’. Die moet steeds op zoek zijn naar nieuwe uitdagingen. Als je bijvoorbeeld tevreden bent met de baan die je hebt, dan wordt dat vaak als saai gezien. Wil je dan niet hoger opkomen. Je wordt geacht ontevreden te zijn met wat je hebt, en op zoek te gaan naar iets beters. Maar ook daarbij geldt dan waarschijnlijk, dat je met geen enkele baan echt tevreden bent.
Onze economie is gericht op consumptie. Om die economie te laten draaien, moeten mensen ook ontevreden zijn met wat ze hebben. Als je een auto hebt die vijf jaar oud is, moet je eigenlijk op zoek gaan naar een nieuwe, een betere, of in elk geval een vlottere auto. Om je daartoe te verleiden, krijg je elke dag via verschillende media de nieuwste modellen voorgeschoteld. De kunst om mensen te verleiden beperkt zich niet tot de autobranche. Er is sprake van een weldoordachte sector, die ongevraagd je voortdurend allerlei hebbedingetjes zit op te dringen. Deze sector maakt gebruik van allerlei inzichten uit de neurowetenshappen, psychologie, ICT en communicatiewetenschappen om het ‘hunkerende paard’ in je brein te bespelen. De boodschap die daarvan uitgaat is: wees niet tevreden met wat je hebt, er is meer om te krijgen. Het valt niet mee, om dit deel van je brein onder controle te houden in een wereld met zoveel verleidingen.
De conclusie van dit betoog zal duidelijk zijn: We leven in een wereld van overvloed, maar we blijven ontevreden. Want de nieuwe Gouden Eeuw zit er nog aan te komen, klinkt het vanuit een beloofde land (USA). Wanneer leren we in onze welvaart eens tevreden te zijn met wat we hebben, en schenken we de rest aan mensen die niks hebben?
Aandacht voor het groter geheel
De meeste mensen associëren een paradijs met een plek buiten henzelf. Een plek op aarde, waar alles in harmonie is, en mensen in vrede met elkaar en andere organismen samenleven. Maar de ervaring van zo’n paradijselijk leven is pas mogelijk, als je innerlijke situatie goed is. Met die innerlijke situatie bedoel ik: jouw geestelijke instelling. Het begrip paradijs verwijst veeleer naar iets ín jezelf in plaats van een plek búiten jezelf. Het verwijst naar het vermogen om innerlijke harmonie te creëren en je relatie met andere mensen en andere organismen te verbeteren. Het vraagt een andere kijk op de wereld waarin je nu leeft. Een kijk die niet wordt aangestuurd door het aloude lustprincipe, maar door een diep doorleefd gevoel van verbondenheid. Een innerlijk besef dat je deel uitmaakt van een groter geheel. Een wereld waarin tegenstellingen wegvallen en waarin samenhang overheerst. Het is niet verwonderlijk, dat de paradijs-gedachte een belangrijk element is binnen de meeste religies. Zij willen immers een antwoord geven op de vraag, hoe wij ons tot het universum verhouden of dienen te verhouden.
Veel religies hebben in hun ideeën over het paradijs eenzelfde thema als uitgangspunt. We kunnen dit als volgt samenvatten: Ooit was er een moment, waarop wij deel uitmaakten van een ideale wereld. Een wereld waarin wij mensen in harmonie leefden met de natuur en met andere schepselen. De wereld vóór de wereld waarin we nu leven, het paradijselijke leven. Maar op enig moment zijn wij uit dit paradijs verdreven. De reden voor deze verdrijving -het is jammer, maar waar- hebben we aan onszelf te danken. We kwamen in opstand. In opstand tegen een schepper of tegen de natuur zelf. Er werd besloten om ons uit dat paradijselijke bestaan te verdrijven, waardoor we in een andere, in een onvolmaakte wereld verzeild zijn geraakt. De wereld waarin we nu leven is dus eigenlijk een soort straf. Binnen de Christelijke religie wordt deze gang van zaken mooi verwoord in het verhaal van de zondeval. God heeft ons uit het paradijs verbannen, omdat we ongehoorzaam zijn geweest. Ongehoorzaam aan hem! We hebben een regel overtreden die Hij ons had opgelegd. We hebben -aldus de Bijbel- gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. De symboliek is duidelijk. Wij wilden ons onttrekken aan de goddelijke wil, en zelf ons lot in handen nemen. Door deze daad pasten we niet meer in de paradijselijk voorstelling zoals die door God bedoeld was. Zijn plan is door ons verstoord, en als straf werden we verbannen. Maar daarmee eindigt het Bijbels verhaal nog niet. Er is voor sommigen een terugkeer mogelijk. Maar daarvoor is de loutering noodzakelijk. Deze loutering staat voor een innerlijke reiniging. Een onderzoek naar het kwaad in ons zelf (de ondeugd) en een persoonlijke oriëntatie op het Ware, het Goede en het Schone.
Het Bijbelse verhaal over de verbanning uit het paradijs houdt de meeste mensen in de traditioneel christelijke wereld nog maar nauwelijks bezig. Ze bekommeren zich niet om de Bijbelse voorstelling van het paradijs, maar zijn vooral geïnteresseerd in de moderne variant die wordt aangeboden door politieke ideologen. Het zijn over het algemeen paradijzen met ongelimiteerde luxe die vooral een hedonistisch karakter hebben. Het gaat daarbij niet om het geheel (harmonie met de natuur en met andere organismen), maar om individuele lustbevrediging. Het moderne paradijs is die plek, waar alle wensen in vervulling gaan, snel en zonder veel inspanning. Een oord dat helemaal is afgestemd op onze behoefte aan comfort, aan plezier, aan lust. Maar bij het betreden ervan, ontdekken we dat zo’n paradijs heel vluchtig is. Zodra je het binnentreedt, is het weer verdwenen, omdat onze behoeftes grenzeloos zijn. We zijn altijd wel in staat om onvolkomenheden te ontdekken, of er dringt zich weer een nieuwe behoefte op. Voor de mateloze moderne mens bestaat namelijk geen paradijs dat langer duur dan een moment. Er moet altijd nog iets meer…
Een terugkeer naar het paradijs is alleen maar mogelijk, wanneer we een geestelijke instelling bereiken die ons hiervoor ontvankelijk maakt. Deze geestelijke instelling heeft welhaast per definitie een religieus karakter. We gaan daarvoor op zoek naar het Heilige in de natuur zelf. Deze zoektocht is geen rationele aangelegenheid, maar heeft het karakter van een mystieke ervaring. De Duitse filosoof en theoloog Rudolf Otto beschrijft haar als de numineuze ervaring. Het moment waarop je wordt overweldigd door het Heilige in de wereld waar je deel van uitmaakt. Het betreft een heel concrete persoonlijke ervaring, die op heel verschillende gebieden betrekking kan hebben. De waarneming van een zonsondergang of een ontmoeting met een ander mens. Het gaat dan om de kwaliteit van de ervaring; het affectieve effect die ze op jou heeft. Otto benoemt daarbij twee verschillende gevoelservaringen: vrees en fascinatie. De vrees verwijst naar een gevoel van overweldiging dat optreedt bij datgene wat zich aan je opdringt. Je ervaart heel sterk de grootsheid van de wereld waar je deel van uitmaakt en je eigen nietigheid daarin. De fascinatie komt voort uit het belang die deze gevoelservaring voor je heeft. Ze laat je niet los, maar versterkt je binding met die wereld. De numineuze ervaring leidt tot onderdanigheid en tot kracht.
Wij zijn in staat om onze terugkeer naar het paradijs te bewerkstelligen door onze aandacht naar binnen te richten. Uiteindelijk zullen we zelf die reis moeten maken, maar er zijn enkele gidsen die ons daarbij terzijde staan. Een van hen is de Dante Alighieri, die in de volgende column aan bod zal komen.
De goddelijke komedie
Het verlangen naar een paradijs is net zo oud als de mensheid zelf. Maar we zijn in onze zoektocht vaak te veel gefixeerd op een plek buiten onszelf. Een ver land, of een idyllische omgeving, of een samenleving die voor iedereen rechtvaardig is. Tot nu toe is geen enkele ontdekkingsreiziger erin geslaagd, om deze plek te vinden. Het lijkt erop, dat je bij je zoektocht de richting moet veranderen. Van buiten naar binnen. Er kan pas van een paradijselijk leven sprake zijn, als je zelf de goede geestelijke instelling hebt. Je kunt het paradijs pas zien, als je in staat bent om goed waar te nemen. Te kijken, te luisteren, te voelen en te proeven. Je kunt het paradijs pas binnentreden, als je zelf de geschikte bewoner bent. Als je denkt, voelt en handelt als een paradijsvogel. Je kunt er je pas thuis voelen, wanneer je krachtige wortels hebt, zodat je goed geaard bent. Bij jouw innerlijke reis naar het paradijs kun je gebruik maken van de inzichten en ervaringen van enkele andere paradijszoekers. Zij fungeren als gids; de reis zal je natuurlijk zelf moeten maken.
Bij jouw zoektocht naar een paradijselijk leven kun je niet voorbijgaan aan Dante Alighieri en zijn meesterwerk De Goddelijke Komedie. Dante was een Italiaanse dichter en filosoof die leefde van 1265 tot 1321. Hij schreef verschillende boeken, maar zijn belangrijkste werk is De Goddelijke Komedie (La Divina Commedia). Het boek is geschreven in een periode dat Dante zelf een crisis doormaakte. Hij was uit zijn geliefde Florence verbannen door politieke tegenstanders, en leefde in ballingschap in verschillende Toscaanse steden. Zijn politieke carrière die veelbelovend begonnen was, bereikte een teleurstellend einde. In zijn verbanningsoord Ravenna overdenkt hij zijn leven: Hoe is mijn leven verlopen, en -belangrijker nog- wat wil ik voor de toekomst? In deze omstandigheid schrijft hij zijn meesterwerk De Goddelijke Komedie. Het boek bestaat uit drie delen: de Hel, de Louteringsberg, en het Paradijs. Het boek start met de volgende scene:
Dante is alleen onderweg, en bevindt zich in een donker bos. Hij is letterlijk de weg kwijt, verdwaald. Ofschoon het een fysieke verdwaling betreft, dienen we haar te zien als een mentale verdwaling. Hij is in verwarring over de koers die hij in zijn leven gaat uitzetten. Hij is ontheemd, en er is geen weg terug. Maar hij heeft nog de helft van zijn leven in het vooruitzicht. Een midlife crisis avant la lettre, dus. In deze toestand overdenkt Dante, hoe hij de afgelopen 35 jaar geleefd heeft, en waar hij naartoe wil werken. Hij realiseert zich, dat hij teveel werd geleid door irrationele verlangens als het streven naar macht en aanzien. In zijn verdwaalde toestand ziet Dante in de verte een bergtop, die verlicht wordt door de zon. Die verlichte bergtop is voor hem de oplossing voor de duisternis waarin hij zich bevindt. De zon staat natuurlijk voor de nieuwe koers die hij wil inslaan. Het is de weg naar God. Maar zijn tocht naar dat hemelse licht wordt belemmerd door drie roofdieren die die hij gewaar wordt. Een panter, een leeuw en een wolvin. Deze drie dieren symboliseren de drie zonden waarvan hij aan het begin van de reis afstand moeten nemen. De panter vertegenwoordigt de zinnelijkheid, de neiging om toe te geven aan seksuele behoeftes. De leeuw staat symbool voor hooghartigheid, de neiging om jezelf gewichtiger te maken dan je bent. En tenslotte de wolvin staat voor de hebzucht; de behoefte om meer te willen dan je toekomt. In deze situatie krijgt Dante de hulp aangeboden van Vergilius, de Romeinse dichter/filosoof. Vergilius staat voor het verstand (de ratio). Door zijn verstand te volgen is Dante in staat om weerstand te bieden tegen de zinnelijkheid, de hooghartigheid en de hebzucht. Vergilius is gestuurd door de heilige maagd Maria, om Dante uit zijn netelige situatie te verlossen. Hij kent een sluiproute naar het paradijs: de toegangspoort van de hel. Ze draagt het opschrift: Laat varen alle hoop gij die hier binnentreedt.
De hel is een trechtervormige diepte naar het binnenste van de aarde. Ze bestaat uit verschillende gangen waar mensen zich verdringen. Het is in alle opzichten een gruwelijke plek om te vertoeven. Hier verblijven de mensen die nooit toegang tot het paradijs zullen krijgen. Dante maakt een indeling in: de mensen die hun lusten niet onder controle hebben (de incontinentia), de gewelddadigen (de violentia), en de oplichters (de fraudulentia). Voor hen is er geen hoop op een paradijselijk leven. Ze worden voor eeuwig getreiterd en gekastijd door monsters en duivels.
De boodschap van Dante is duidelijk: de weg naar het paradijs begint bij de confrontatie met het slechte: de duivelse neigingen in jezelf. Als je leven vooral in het teken staat van lustbevrediging, geweld en oplichterij, is voor jou geen plaats in het paradijs. Wellicht wordt je leefwijze op korte termijn beloond door genot, macht of welvaart. Maar de kansen om toe te treden tot het paradijs verdwijnen. De toegang tot het paradijs is alleen weggelegd voor mensen, die gelouterd zijn van hun zondige aanleg.
Daarmee zijn we aanbeland bij deel twee van De Goddelijke Komedie: De Louteringsberg. In dit deel beschrijft Dante, hoe je jezelf tot een geschikte kandidaat voor het paradijs kunt maken. Het principe dat daarbij wordt gehanteerd, is de contrappasso. Een slechte eigenschap (de ondeugd) dient vervangen te worden door haar tegenpool (de deugd). De Louteringsberg kent zeven niveaus die corresponderen met de zeven hoofdzonden: zelfverheffing (superbia), afgunst (invidia), gramschap (ira), luiheid (accidia), hebzucht (avaritia), onmatigheid (gula) en onkuisheid (luxuria). De afgunstige mensen krijgen de ogen dicht genaaid, de luierikken worden gedwongen om te rennen en de matelozen worden uitgehongerd. De mensen op de Louteringsberg zijn niet voor eeuwig verdoemd zoals in de hel. Na de loutering kunnen ze opstijgen naar de hemel. De sfeer op de louteringsberg is vredig en liefelijk. Er waait een verkwikkend briesje en er kabbelen beekjes door het frisse gras. De lucht is doordrenkt van zoete geuren, en de natuur is vol met bloemen en groen. Op de top van de berg bevindt zich het aardsparadijs, waar de boom van kennis groeit. In dat aardsparadijs neemt Dante afscheid van Vergilius. Zijn taak wordt overgenomen door Beatrice, die Dante naar de hemel zal voeren. Beatrice Portinari is de onvervulde liefde van Dante, maar is ook het zinnebeeld van ware liefde en geloof. Het zijn deze eigenschappen die noodzakelijk zijn om toe te treden tot het paradijs.
De louteringsberg is het fysieke symbool van de inkeer. Het is het moment in je leven, waarin je je bewust wordt van de eigen tekortkomingen, en deze gaat bestrijden. Binnen het Christendom staat deze fase natuurlijk voor zaken als bekering en toewijding tot God. In onze tijd kunnen we de vergelijking maken met de zelfanalyse en psychoanalyse. Je richt de blik naar binnen en realiseert je dat dáár je cirkel van invloed ligt. Ben je bereid om afstand te doen van irrationele strevingen en van je ondeugden, en je energie te steken in een deugdzaam leven? Een paradijselijk leven begint immers bij het ontwikkelen van een moreel kompas, het vermogen om de samenhang der dingen te zien, en in harmonie te leven met de natuur.
In deel drie van De Goddelijke Komedie beschrijft Dante zijn tocht door het paradijs. Het is opgebouwd uit negen sferen, die steeds ijler en lichter worden. Achter deze negen sferen bevindt zich het empyreum met de candida rosa. Het is een amfitheater in de vorm van een sneeuwwitte roos. In die roos zag Dante een groot legioen van heiligen. Boven hen is weer een legioen engelen. En daarachter weer het eeuwige licht van God. Tijdens zijn tocht door het paradijs maakt Beatrice plaats voor de mysticus Bernardus van Clairvaux. Hij symboliseert de mystieke extase, die de ziel laat opgaan in God.
De Goddelijke Komedie eindigt met het moment, dat Dante zicht heeft op het goddelijke licht in de hemel. Het is deze mystieke ervaring die je in staat stelt om de dreiging van de dood te vervangen door op te gaan in het AlEene. Een terugkeer naar datgene waar je vandaan komt.
Met De Goddelijke Komedie heeft Dante een boek geschreven, dat hoort tot de wereldliteratuur, en dat inmiddels door honderden theologen en filosofen uitgebreid geanalyseerd is. Hij verwoord daarin een thema dat we terugvinden in veel religies: de reis die we maken naar een hiernamaals, die goed en slecht kan uitvallen, Ik herken er natuurlijk de verhalen van mijn eigen katholieke achtergrond in. Ofschoon ik in mijn vroege jeugd al afstand heb genomen van de katholieke kerk, blijft dit motief me wel bezighouden. Niet alleen tijdens de momenten dat ik in mijn studeerkamer vertoef, maar ook tijdens wandelingen, en in mijn liefdesleven en bij mijn ontmoetingen met andere mensen. De zoektocht naar een paradijs die begint bij het creëren van een innerlijk paradijs.
Het verloren paradijs
Het is een terugkerend thema in de verhalen over het paradijs. De idee, dat we er oorspronkelijk vandaan komen en dus ooit in het paradijs geleefd hebben. We komen deze gedachte tegen in de meeste religies. In den beginne was er een paradijselijk leven, en het ontbrak ons aan niets. In dat vorige leven waren we onderdeel van een natuurlijke orde. Alles was in harmonie, een harmonie die gedicteerd werd door een Schepper. Maar plots ging het mis, en werden we eruit verdreven. Het paradijs is verloren, en werd vervangen door een leven met ontberingen. Dat is het leven zoals we dat nu gedwongen moeten leven. Van het oorspronkelijke paradijs bestaan nog enkel de herinneringsbeelden, en veel mensen zijn ook die vergeten. Gelukkig kunnen we ze aanschouwen in klassieke schilderijen en hebben we de verhalen van schrijvers als Milton en Dante. De verbeelding van het paradijs zou anders helemaal uit ons bewustzijn kunnen verdwijnen, en zou uitsluitend nog bestaan als psychische abnormaliteit: het kinderlijk verlangen naar de plek waar ons leven ooit begon en we veilig beschermd werden: de baarmoeder.
Historisch gezien, is er nooit sprake geweest van een paradijs op aarde. De evolutie van het leven startte niet met een toestand van vreedzame harmonie zoals die . Vanaf de oerknal is er steeds sprake geweest van een voortdurende strijd, een strijd op leven en dood. We zien dat ook, als we heel strikt naar de feiten kijken zoals ze nu zijn. De wereld waarin we leven wordt gekenmerkt door een aanhoudende strijd om het voortbestaan, waarbij een paradijselijke harmonie ver te zoeken is. Het samenleven van de organismen kunnen we eerder typeren als wreed dan als vreedzaam, omdat de overleving van het ene ten koste gaat van het andere. Als er al sprake is van een overstijgend principe, dan is dat eerder survival of the fittest dan harmonieus samenleven. Niet alleen is er sprake van wreedheid bij de omgang tussen de verschillende organismen die onze planeet bevolken. Ook de planeet zelf laat zich soms van zijn slechtste kant zien: aardbevingen, overstromingen, klimatologische veranderingen. De wereld lijkt niet echt op het Hof van Eden zoals door Jan Brueghel de oude is weergegeven. Ze is wispelturig en laat zich op haar gewelddadige momenten weinig gelegen aan wat goed is voor haar bewoners. Ze heeft zo haar eigen beweegredenen, en die komen niet steeds overeen met wat wij graag willen.
Goed, de aarde is geen paradijs en is waarschijnlijk ook nooit paradijselijk geweest. Maar misschien is dat paradijselijke enkel een illusie die we opbouwen. Een mentale constructie van de plek waarop we terecht gekomen zijn, die ons helpt om ons er thuis te voelen. Een overlevingsstrategie dus, en een manier om orde op zaken te stellen in een wereld die zich vaak onttrekt aan ons begrip. Een interessante gedachte, hoor ik je denken. Daarom wil ik haar in een iets uitgewerkter vorm aan je voorleggen.
Het moet voor de eerste mensen toch overweldigend zijn geweest, om zich bewust te worden van de wereld waarin ze terecht waren gekomen. Natuurlijk hadden zij wel voorkennis in hun genetisch materiaal meegenomen over het reilen en zeilen in deze wereld. Maar toen ze bewust konden nadenken over wat ze om zich heen zagen gebeuren, ging een wereld voor hen open. Een wereld vol schoonheid, maar ook vol wreedheid. Het prille bewustzijn van de wereld moet wel overdonderend zijn geweest, misschien wel een traumatische ervaring. Welk een waanzin dringt er binnen in dat nog jonge mensenbrein. Het is volstrekt onmogelijk om al die binnenkomende prikkels geordend te verwerken, dus moet er een rem worden gecreëerd. Die wordt dan ook snel ontwikkeld; een rem op de binnenkomende prikkels (aandacht) en op de eigen impulsen (inhibitie). Natuurlijk, laten we ons niets wijs maken, wij verschillen niet zo sterk van de andere dieren op onze planeet. Maar soms kan een klein verschil tot grote gevolgen leiden, en dat verschil zit hem in denken. Niet dat snelle, reflex-denken, dat kan zelfs een inktvis, en misschien kan die het nog beter dan wij. Maar het overdenken en het doordenken. Ons brein bedenkt niet alleen wat het waarneemt, maar kan daar vervolgens een vraag bij stellen. Die vraag, dat zal duidelijk zijn, is waarom? Als de hemel wordt verduisterd door donkere wolken, en er enge bliksemflitsen zichtbaar zijn en luide knallen klinken, zoeken we niet alleen beschutting in een hol of onder de grond. Als we een veilige plek gevonden hebben, komt bij ons de vraag naar boven: Wat is dit? en Waarom gebeurt dit? En na enige tijd zelfs de vraag Kan ik dit stoppen? Dat doen we niet omdat we zo graag de Nobelprijs willen winnen, maar omdat ons brein dat wil. Wij hebben een brein dat wil doordenken. Het neemt geen genoegen met wat het ziet, maar stelt vragen.
De eerste vraag die het mensenbrein zich stelde was: Wat is hier nou aan de hand? Hoe komt het, dat het plots donker wordt? En waarom stroomt het water naar beneden? Hoe komt het, dat mensen dood gaan, en natuurlijk ook: Hoe kan ik die vervelende sabeltijger verjagen, zodat ik meer rust krijg in mijn leven? Het mensenbrein probeerde de wereld die het waarnam te begrijpen, en maakte daarbij gebruik van verbeelding. Waarschijnlijk verbeeldde het eerst, dat er meer moet zijn dan enkel wat het zag. Dat er een kracht werkzaam was in de dingen, en ook in hemzelf. De bezielde natuur. Als de bladeren van de boom vallen, dan komt dat doordat deze de bladeren laat vallen, van zich afschudt. Als een rups over een tak kruipt, dan moet het werk zijn van een rupsenziel, kan niet anders! En als ik zelf na twee bekers gerstenat nog zin heb in een derde, dan komt dat doordat ik in de ban raak van de drank. De dingen worden bewogen door een geheimzinnige kracht. Zo ontstond het beeld van de bezielde natuur. Er is een wereld van dingen en van organismen, die bewogen worden door een geheimzinnige kracht. Of misschien nog beter uitgedrukt: er bestaat een wereldziel, die zich bedient van de dingen die zichtbaar zijn: natuur, planten, dier en mens.
De tweede vraag die in het mensenbrein opkwam was: hoe kan ik grip krijgen op deze ziel? Hoe kan ik ervoor zorgen, dat deze ziel regen geeft, als ik mijn slaplantjes in de grond gepoot heb? En, hoe kan ik de ziel van mijn zieke moeder weer kracht geven? En natuurlijk ook: Hoe kan ik de kip van de buurman zo ver krijgen, dat ze eieren legt in míjn schuur in plaats van die van hem? Nadat het brein bekomen is van de eerste schrik, komt de control freak naar boven. Dat hoort nu eenmaal bij dat doordenken. Als we dingen om ons heen zien gebeuren, komt gemakkelijk de vraag op: hoe kan ik dit ook laten gebeuren. Als ik heb ontdekt, dat de regen mijn slaplantjes sneller laat groeien, bedenk ik hoe ik regen kan veroorzaken. Regendansen? Of het geluid van regen nadoen met mijn fluit? De eerste mensen leefden in een bezielde wereld, en al snel waren er mensen die daar gebruik van gingen maken: de magiërs. Zij zouden over de kennis beschikken om de wereldziel te beïnvloeden, en verwierven daarmee een bijzondere plek in de stam. Er ontstond een tweede wereld naast de fysieke wereld der dingen, een wereld van de verbeelding. Het waren aanvankelijk de magiërs die daarin een belangrijke plek bekleedden. Later werd die wereldziel vervangen door de religie, en werd de plaats van de magiër ingenomen door de priester. Zij ontwierpen een wereldbeeld, waarbij het de goden waren die aan de touwtjes trokken. De bezieling werd uit de natuur gehaald, en in handen gelegd van bovenaardse wezens. Natuurlijk kregen de priesters in deze verbeelde wereld een belangrijke positie. Zij hadden en hebben namelijk hun eigen manieren om het lot gunstig of ongunstig te stemmen. Regendansen werden vervangen door het gebed en door processies, en als dat geen resultaat heeft, is er nog de mogelijkheid van exorcisme. De duivelse krachten moesten bedwongen worden!
De magie en de religie zijn verbeeldingen, die ons het gevoel moeten geven dat de wereld klopt. Dat de waarneembare chaos toch een bepaalde ordelijkheid heeft, die kenbaar is voor enkele hoogbegaafden. Hun interventies (dansen, gebeden, exorcisme) werkten waarschijnlijk vooral omdat iedereen erin geloofde, en het gevaarlijk was om ze in twijfel te trekken. Maar deze verbeeldingen stelden en stellen mensen in staat om zich thuis te voelen in de wereld waarin ze leven. De dingen die gebeuren kloppen, omdat ze voldoen aan een hogere orde. Daarmee zijn we weer aanbeland bij het thema waar deze columns over gaan: het paradijs. Onze voorstelling van het paradijs is er een, waarin alles klopt. Er is niks geen sprake van toeval of van onrecht, maar er heerst een heel duidelijke orde. Deze kunnen we ervaren, als we doordringen tot een hogere orde. Wanneer we begrijpen hoe de dingen met elkaar samenhangen en wat onze rol daarin is. De oermens begreep die samenhang, door een wereldziel te bedenken die in hem en buiten hem de dingen stuurt. Een stille kracht. De religieuze mens ziet die orde in het plan van een of meerdere Scheppers. De bezieling wordt in de religies buiten de mens gelegd, namelijk in de goden en hun tussenpersonen: de priesters. Daardoor is de gelovige mens meer een speelbal dan een medespeler. Maar beide verbeeldingen (magie en religie) hebben gemeenschappelijk, dat ze ons -de mens- deel maken van een kloppend verhaal. We nemen daardoor een zinvolle plaats in binnen een groter geheel, als medespeler of als speelbal, zodat de dingen die gebeuren kloppen. We zijn opgenomen in een magisch of goddelijk paradijs, ofschoon dat laatste de facto voor slechts weinigen is weggelegd.
En dan nu de actualiteit; magie en religie hebben plaatsgemaakt voor de wetenschap. Kenmerkend voor die wetenschappelijke benadering is de ontzieling van de natuur. Sterker nog, de wetenschappelijke benadering van het leven kon pas ontstaan, nadat we de natuur haar ziel hadden ontnomen. De dingen worden niet langer aangestuurd door een geestelijk principe zoals een wereldziel of door een God, maar door fysieke processen. Weg met al die vage begrippen uit de magie en de religie dus, en we kijken nog enkel naar wat voor iedereen waarneembaar is. De wetenschap zou ons een realistische kijk op de wereld en op onszelf bieden, en maakt een einde aan de magische, mythologische en religieuze verhalen. Die wetenschappelijke benadering van de wereld heeft geleid tot veel ontdekkingen en heeft ons veel gebracht. We zijn niet meer afhankelijk van de zonnegod om te kunnen zien, maar kunnen zelf licht maken. Nu kunnen we ook ’s nachts dingen doen, die onze voorouders alleen overdag deden: lezen, schilderen, feesten, koken, de akker bewerken. De wetenschap helpt ons om de natuur naar onze hand te zetten, zodat we steeds meer grip krijgen op onze omstandigheden. We kunnen zelf onze wereld maken! Toch bijna een paradijselijke situatie? Onze huidige leefsituatie heeft misschien in enkele opzichten wel overeenkomsten met een aards paradijs. Maar de meeste mensen ontbreekt het aan zo’n paradijselijk gevoel. Het nieuwe verhaal waar we in gevangen zitten is het verhaal over een oerknal, die resulteert in een onmetelijk heelal waar onze aarde slechts een minimale fractie van is. Op die aarde wemelt het van levende organismen die maar één enkel doel gemeenschappelijk hebben: overleven. Deze strijd om te overleven leidt weer tot destructie van andere organismen, zodat een vredige harmonie ver te zoeken is. De wetenschap heeft geen antwoord op de vraag, welke plaats wij mensen innemen in dit kosmisch gebeuren. Zijn we het aards paradijs al ontstegen, en de Goden van de toekomst? Of zijn we verworden tot wezens, die er alles aan doen om de harmonie op aarde te ontregelen, en brengen we daarmee het Paradijs steeds verder van ons vandaan?
Paradijselijke ideologieën
De belofte van een paradijselijk leven is een belangrijk element van de ideologieën die de menselijke geschiedenis kent. Het is immers inherent aan een ideologie, dat ze zich uitspreekt over hoe wij ons tot het leven verhouden en dienen te verhouden. Ze geeft daarmee zowel een beschrijving van hoe de menselijke samenleving in elkaar zit (het sein), en ook hoe deze behoort te zijn (het sollen). De geschiedenis van de mensheid kent talrijke ideologieën, maar ik wil me vooral verdiepen in het viertal dat voor onze huidige Westerse samenleving belangrijk is: het Christendom, het liberalisme, het nationaal socialisme en het communisme. Daarmee wil ik niet suggereren dat andere ideologieën (zoals Islam, Boeddhisme, Naturalisme) minder relevant zijn. Het zijn vier ideologieën die erin slaagden om grote aanhang te krijgen in grote groepen van de Europese bevolking, waarbij hun aantrekkelijkheid voortkwam uit de positieve boodschap die ze brachten: hún beloofde paradijs. Maar we zullen zien dat ze hun belofte niet hebben kunnen waarmaken, en misschien wel het tegendeel gerealiseerd hebben: een hel op aarde.
Het Christendom
Misschien denk je bij een ideologie niet direct aan het Christendom. Het is immers een religie. Naar mijn mening vallen religies (en ook het Christendom) wel degelijk onder de ideologieën. Ze onderscheiden zich van andere, doordat ze het zwaartepunt in hun wereldbeeld leggen op een bovenaardse wereld en een bovenaards wezen, God. Het Christendom gaat in haar ideeën terug naar opvattingen die bestonden voordat Christus geboren was. Er zijn vooral belangrijke joodse invloeden, waardoor we ook wel spreken van de joods-christelijke cultuur. Deze samenhang tussen het joodse geloof en het Christendom is altijd blijven bestaan, maar is ook steeds tweeslachtig geweest. Aan de ene kant deelt het Christendom bepaalde waarden en teksten met het joodse geloof, zoals de verhalen uit het Oude Testament. Het grote verschil zit natuurlijk in de figuur Jezus Christus. Hij is voor de Christenen de Messias, die op de dag des oordeels terugkeert op aarde om recht te spreken. De Christelijke ideologie is er een van liefde en gerechtigheid, kernachtig uitgedrukt in: Heb God lief boven alles, en bemin uw naaste als uzelf. Ze richt zich in principe tot alle mensen, ongeacht afkomst of maatschappelijke positie. Zoals de meeste religies spoort het Christendom aan tot een deugdzaam leven, en deze deugden staan beschreven in de Tien Geboden. De aansporing tot deugdzaamheid is wel nodig, omdat volgens het Christendom de mens geboren wordt met zondigheid. Deze komt voort uit ongehoorzaamheid aan God. Al snel nadat Hij de wereld geschapen heeft, werden door Hem de eerste mensen (Adam en Eva) uit het paradijs verdreven, omdat zij een goddelijk gebod overtreden hadden. Zij hadden gegeten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Deze daad staat symbool met de menselijke neiging om godgelijk te willen zijn. Alle nakomelingen van Adam en Eva zijn daarom behept met een erfzonde; zij dragen een sterke schuld in zich mee ten opzichte van hun Schepper. Maar een deugdzaam leven zal ertoe leiden, dat ze deze schuld op de dag des oordeels kwijtgescholden wordt. Dit geldt dan uitsluitend voor diegenen, die tijdens hun leven trouw Zijn geweest aan God, en de tien geboden hebben opgevolgd. Voor hen komt er een terugkeer naar het paradijs; voor degenen die in gebreke zijn gebleven is een ander scenario bedacht. Er staat ons dus een paradijselijk leven te wachten, maar dit moet wel verdiend worden. Daarmee komen we bij een belangrijk aspect van de Christelijke ideologie: de innerlijke vijand. De grootste belemmering om deelachtig te worden aan het paradijs zou in onszelf zitten. God heeft ons uitgerust met een vrije wil, en die stelt ons in staat om andere keuzes te maken dan Hij bedoelt heeft. We kunnen daartoe aangezet worden door een andere speler in het goddelijk universum: de duivel. God heeft een duivel gemaakt, om ons op de proef te stellen. Hij kan ons verleiden om zondig te zijn. Vanuit de Christelijke kerken (katholicisme, protestantisme) zijn er allerlei procedures bedacht om te bepalen of iemand bezeten is van de duivel. Aanvankelijk had dit misschien vooral de functie om de Christelijke leer zuiver te houden. Als je bezeten was, dan moest deze duivel verdreven worden. Deze activiteit wordt exorcisme genoemd, en ze kon bestaan uit zaken als: bidden, handoplegging, maar ook heftiger bestraffingen zoals martelen, en zelfs verbranden. In de 15de en 16de eeuw waren het vooral vrouwen die het moesten ontgelden. Zij werden gezien als heksen, en liepen een groot risico om uiteindelijk te eindigen op de brandstapel. Om de Christelijke leer zuiver te houden, werd er jacht gemaakt op mensen die kritisch waren op het pauselijk gezag: de ketters. Dit leidde tot de inquisities, die aanhielden tot midden van de 19de eeuw. Minderheidsgroepen, zoals de Katharen en de Gnostici werden vervolgd, en eindigden ook vaak op de brandstapel. Ondanks alle gruwelijkheden, heeft het Christendom de tijd overleefd, en is nog steeds een belangrijke religie. Haar kracht zit in de oproep om deugdzaam te leven, en de beloning die daar uiteindelijk op zal volgen: toegang tot het Paradijs. Maar om zichzelf te kunnen handhaven heeft het Christendom ook vaak samengewerkt met politieke overheersers, die zich minder of helemaal niets gelegen lieten aan het idee van Christelijke naastenliefde.
Het Liberalisme
Het Liberalisme heeft haar wortels in de rationalistische denkwijze van de Verlichting (18de eeuw), en heeft als belangrijke idealen: individuele vrijheid en vooruitgang. Vroege vertegenwoordigers van het Liberalisme zijn filosofen als Jean Jacques Rousseau, Immanuel Kant, en de Engelse econoom en arts John Locke. Het zette zich in haar vroege periode af tegen allerlei traditioneel Christelijke opvattingen, en had een meer humanistische grondslag. In haar gedachtewereld staat het individu dat zich vrij moet kunnen ontwikkelen centraal. Die vrijheid bestaat eruit, dat er zo weinig mogelijk sprake dient te zijn van externe beperkingen, door een overheid, een religie of een maatschappelijke groepering. Behalve een vrijheid in handelen wordt grote waarde gehecht aan vrijheid in denken, en… ook niet onbelangrijk, vrijheid in handelsverkeer. Om die individuele vrijheid te kunnen waarborgen, is het belangrijk dat de staatsinrichting wordt vastgelegd in een grondwet. Op die wijze wordt de invloed van machthebbers als koningen en presidenten begrensd, en wordt individuele vrijheid geborgd. De relatie tussen het individu en de samenleving is geregeld in een sociaal contract, en de overheid heeft als belangrijke taak om hier toezicht op te houden. Binnen het Liberalisme wordt het traditioneel Christelijke wereldbeeld ingeruild voor een empirisch wetenschappelijk wereldbeeld. Om deze wereld en onszelf beter te begrijpen is het belangrijker om je te verdiepen in de natuurwetenschap in plaats van in de bijbel. De opkomst van het Liberalisme gaat dan ook samen met de opkomst van de moderne wetenschap.
Het Liberalisme kent veel verschillende uitingsvormen. Dat is logisch, omdat de het centrale thema de vrijheid van het individu is. Ieder kan daardoor een eigen invulling geven van zijn of haar liberale denkwereld. Ik zal een korte bespreking geven van twee liberale denkers die in hun ideeën vrijwel elkaars tegenpool waren: Henry Thoreau en Ayne Rand. Henry Thoreau (1817-1862) was een Amerikaanse filosoof en schrijver die samen met schrijvers als Ralph Waldo Emerson en Nathaniel Hawthorne tot de 19de -eeuwse naturalistische Amerikaanse schrijvers behoorde. Hij was een representant van de individualistische leefwijze, en heeft zich ruim een jaar min of meer opgesloten in een huisje in de bossen van Walden Pond, Het was voor hem een soort experiment, dat als doel had om zelfvoorzienend te leven. Thoreau’s levensmotto kunnen we beknopt samenvatten met: vergroot je persoonlijk geluk door je wensen klein te houden. In zijn leefstijl staat een zijn met de natuur centraal. Hij is daardoor ook een belangrijke inspirator geweest voor natuurfilosofen, kunstenaars en dichters. Over zijn verblijf in Walden heeft hij het iconische boek Walden, or life in the woods geschreven. Het boek is ook een inspiratiebron geweest voor de Nederlandse schrijver Frederik van Eeden om samen met enkele andere vrijdenkers een zelfvoorzienende leefgemeenschap te stichten in de omgeving van De Bilt. Ondanks zijn vredelievende levenshouding deed Thoreau ook een rebellerend pamflet gepubliceerd: Civil Disobedience. Het kwam voort uit een weigering om belasting te betalen aan een regering, die slavernij toeliet en een zinloze oorlog voerde. Bij Thoreau zien we dat het paradijselijke leven bestaat uit bescheidenheid en dankbaarheid naar de natuur. Het tegenovergestelde standpunt zien we terug in de ideeën van de Amerikaanse schrijfster Ayne Rand (1905-1982). Zij was op jonge leeftijd uit Rusland naar Amerika gevlucht, en zocht daar haar geluk als schrijfster van filmscenario’s. Rand had een vreselijke aversie tegen elke vorm van collectivisme, en stond voor rationeel eigenbelang. Haar politieke ideeën vinden we vooral terug in twee van haar boeken: The Fountainhead en Atlas Shrugged. Hoofdfiguren in beide romans zijn talentvolle zakenmensen. Zij zijn in de ogen van Rand voor een samenleving veel belangrijker dan het collectief of een centraal gezag. Sterker nog, zij beschouwt elke collectieve organisatie als een belemmering bij economische vooruitgang. Het zal duidelijk zijn, dat Rand ook een heel andere visie heeft op onze omgang met de natuur; deze dient ten nutte gebracht te worden aan de industriële productie. Ayne Rand is de grondlegger van de filosofie van het objectivisme, een atheïstische levensopvatting met als belangrijkste waarden: eigenbelang en productiviteit. Het zijn de idealen die passen in onze traditionele visie op de Amerikaanse maatschappij. Het paradijs zoals Rand beschrijft is een creatie van grote geesten: industriëlen, vakmensen, grote denkers. Zij dienen de mogelijkheid te hebben om hun talenten volledig tot ontwikkeling te krijgen. In haar boeken klinkt een zekere minachting voor de gewone mens, en de middelmaat.
Het Nationaal Socialisme
De derde ideologie die ik wil bespreken is het nationaal socialisme, dat zijn bloeitijd heeft gekend in de jaren dertig/veertig van de vorige eeuw in Duitsland. Ofschoon er inmiddels zeer gedegen onderzoek is gedaan naar de opkomst en ondergang ervan, heb ik vaak de indruk dat veel mensen het uitsluitend zien als een mislukt project van een waanzinnige dictator: Adolf Hitler. Ik denk dat we daarmee deze ideologie tekort doen, en onderschatten welke factoren haar tot een bloei hebben gebracht. We kunnen het nationaal socialisme uit de periode van Nazi-Duitsland niet afdoen als een of ander krankzinnig project van een gefrustreerde Oostenrijkse kunstschilder. Het heeft als belangrijkste pijlers de biologie, en dan specifiek de rassenleer, en de Germaanse mythologie. Een belangrijk element van het nationaal socialisme is het idee, dat sommige rassen superieur zijn aan andere. Het zal geen verassing zijn, dat binnen deze rassenleer het Germaanse ras (de Arische mensen) superieur is aan alle andere rassen. In het begin van de twintigste eeuw heeft een groep wetenschappers (de Sociaal Darwinisten) zich heel gericht met dit onderwerp bezig gehouden. Zij gebruikten de ideeën van Charles Darwin, om daarmee de superioriteit van het blanke ras boven de andere te bewijzen. In Duitsland was het Alfred Rosenberg die dit idee uitwerkte en daarmee een pseudowetenschappelijke onderbouwing gaf aan de nationaal socialistische rassenleer. Zijn opvattingen leidden er allereerst toe. dat mensen met lichamelijke en psychische beperkingen werden gezien als degeneraties. Vanwege hun beperkingen weken ze af van het ideaalbeeld, en daardoor waren ze minder. Voor de Nazi’s was dit reden om hen te verhuizen van verpleeghuizen en psychiatrische klinieken naar concentratiekampen, waar ze uiteindelijk overleden. Later was deze rassenleer de rechtvaardiging om minderwaardige rassen {o.a. zigeuners en joodse mensen) als mensen van een minderwaardig ras te beschouwen. Ze waren in hun ogen ook een bedreiging voor het superieure Germaanse ras, en moesten uit de Duitse samenleving verwijderd worden. Eerst in getto’s, later in werkkampen, en uiteindelijk in vernietigingskampen. Binnen de nationaal socialistische visie was het Germaanse ras (de Ariërs) superieur, en deze superioriteit werd vooral gebaseerd op de mythologie. We komen daarmee bok de tweede pijler van het nationaal socialisme. Bij haar aanhangers (onder andere Adolf Hitler) bestond een grote belangstelling voor mythologische verhalen waarin Germaanse helden centraal staan. We zien dit weergegeven in de kunst die in het Nazi-Duitsland van de jaren dertig en veertig nadrukkelijk door de nationaal socialisten werd gepromoot. De schilderkunst, de architectuur, en ook de muziek, met name die van Wagner. De mythologie kan een krachtig instrument zijn om mensen aan een ideologie te binden, omdat ze gebruik maakt van archetypische beelden. In het nationaal socialisme is dat natuurlijk het beeld van de held, die de goden uitdaagt en de draak (het kwaad) verslaat. De mythologische verbeelding werd door de nationaal socialisten steeds meer versmald tot een verheerlijking van het Arische ras. In hun gedachtegoed kunnen we de mensheid verdelen in twee groepen: het superieure ras en de inferieure rassen, zoals de mensen uit Slavische landen, mensen met een zwarte huidskleur, chinezen, joden, enzovoort. Alles gaat dus om uiterlijke fysieke kenmerken. Als je tot de eerste groep behoort (blonde haren, blauwe ogen), ben je bevoorrecht en maak je deel uit van een groep die voorbestemd is voor een ideale samenleving: het duizendjarige rijk. Deze wordt geleid door een almachtige Leider (der Führer) die bijgestaan wordt door een beperkte groep intimi. Van democratie is geen sprake, ieder dient zich te schikken naar de besluiten die door deze groep genomen worden. Gehoorzaamheid aan de Leider is dus een belangrijke deugd, en er is geen plaats voor kritiek. In de jaren dertig van de vorige eeuw wisten de nationaal socialisten een grote schare mensen achter hun ideologie te krijgen. Hun succes komt vooral voort uit twee factoren: identificatie en intimidatie. De volgelingen zagen de Leider als een van hen, en zo konden ze meeprofiteren van zijn successen. Er werd dan ook alles aan gedaan om deze leider (Hitler) zichtbaar te maken in de samenleving met behulp van pamfletten, vlaggen en symbolen. Daarnaast was er een uitgebreid netwerk van mensen, die toezicht hielden op de gang van zaken. Ongehoorzaamheid aan de Leider werd onmiddellijk en genadeloos afgestraft.
De aantrekkelijkheid van het nationaal socialisme zat waarschijnlijk vooral in de idee, dat je deel uitmaakte van een uitverkoren groep: het Germaanse ras. De uitverkorenheid zat dan weer in de gedachte, dat deze groep een bijzondere plek innam in de geschiedenis, vandaar de idee van het duizend jarige rijk. Er wordt een beroep gedaan op de menselijke behoefte om bijzonder te zijn, verheven te zijn boven anderen. Helaas ging dit ten koste van andere mensen, die het predicaat minderwaardig of onwaardig (Entartet) kreeg.
Het Communisme
Het Communisme zoals wij dat vooral kennen is de sociaal economische ideologie van de Duitse filosoof Karl Marx (1818-1883). Maar het gaat in haar oorsprong terug tot enkele romantische schrijvers zoals Jean-Jaques Rousseau, Charles Fourrier en Pierre-Joseph Proudhon. Gemeenschappelijk aan al deze vertegenwoordigers is het ideaal van een klasseloze maatschappij en het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. De theorie van het Communisme werd vooral relevant door de industriële revolutie en de daarmee samengaande kapitalistische productiewijze. Als gevolg daarvan ontstond er een grote groep mensen, die naar de steden trokken en in hun bestaan afhankelijk waren van de arbeid die ze leverden. Zij leefden daar vaak in heel slechte omstandigheden en ontleenden hun betekenis uitsluitend aan het nut dat zij hadden voor andere groepen: de industriëlen en kapitalisten. Er was met name in West Europa een grote tegenstelling tussen de arbeiders en de welgestelden (de gegoede burgers), en deze tegenstelling is een belangrijke inspiratiebron geweest voor het Marxistisch Communisme. Belangrijke elementen in het Marxisme zijn de vervreemdingstheorie en het dialectisch materialisme. Omdat arbeiders voor hun voortbestaan gedwongen waren om hun arbeid te verkopen aan industriëlen, werden ze gedegradeerd tot productiemiddelen en werd arbeid een handelswaar in plaats van een uiting van creativiteit. In de visie van Marx was dit een reductie van hun arbeid (het vak) en een ontkenning van hun menselijke waarde. De theorie van het historisch materialisme heeft Marx deels ontleend aan de filosoof Georg Hegel, die stelt dat de ontwikkeling van ons denken bestaat uit een strijd tussen tegenstelling. Hegel heeft het dan over de geestelijke ontwikkeling, waarbij de tegenstelling in ideeën uitmondt in een nieuwe gedachte. Marx stelt dat de geschiedenis een zelfde strijd laat zien tussen groeperingen, de klassenstrijd. De tegenstelling die hem vooral bezighield was die tussen arbeid en kapitaal. Deze zou uiteindelijk opgeheven worden door de overwinning van de arbeidersklasse, en daarmee zou op den duur de mogelijkheid van een klasseloze maatschappij aanwezig zijn. In deze communistische samenleving zou arbeid een veel minder centrale plaats innemen, zodat er meer tijd is voor creatieve en sociale behoeftes. Daarmee komen we uit bij een heel globale typering van het Marxistische paradijs. Het is een wereld van gelijkwaardige mensen, waarbij het persoonlijke bezit aan banden is gelegd, en de menselijke verhoudingen minder zijn gericht op werk.
Het Communisme kreeg aanvankelijk aanhang in West-Europa, met name in Duitsland en Nederland. In Oost Europa kon het Communistische gedachtegoed zich goed verspreiden na de machtsgreep van de bolsjewieken in 1917. Tijdens de tweede wereldoorlog werd het zeer heftig bestreden door de Nationaal Socialisten, en zijn veel Duitse Communisten verbannen naar de concentratiekampen. Toen deze oorlog geëindigd was, kwam het Communisme in West Europa in een verdomhoekje als gevolg van de koude oorlog die gevoerd werd. Er zijn enkele pogingen geweest om een communistisch paradijs te stichten (in Rusland, China, Cuba, Vietnam, Angola), maar deze hebben geleid tot totalitaire regimes die weinig overeenkomst hebben met de klasseloze maatschappij die Marx voor ogen had.
Zoals ik in het begin van mijn column al aangaf, is dit geen uitputtende lijst met ideologieën. Ik heb me beperkt tot een viertal die op dit moment het meest relevant zijn voor onze ideeën over een paradijselijk leven. We zien enkele grote verschillen, maar ook grote overeenkomsten. Zo is er bij alle ideologieën sprake van uitverkoren zijn en van uitsluiting. Bij het Christendom is de toegang tot het Paradijs uitsluitend weggelegd voor de gehoorzame Christenen, het Liberale Paradijs wordt bewoond door individuen die sterk met hun eigen talenten en behoeftes bezig zijn, terwijl het Nationaal Socialistische Duizendjarige Rijk bevolkt wordt door mensen die behoren tot het Germaanse ras. Communisten zien een Paradijs voor arbeiders die leven in grote gemeenschappen. De uitsluiting zit respectievelijk bij ongelovigen, ketters en mensen die het ‘verkeerde geloof’ aanhangen, bij mensen die weinig persoonlijke inbreng of kracht hebben, mensen die behoren tot een ‘inferieur ras’, en bij de kapitalisten die anderen zien als mogelijkheid om jezelf te verrijken. Ik herinner de titel van een Franse film uit de zeventiger jaren Paradis pour tous. Nou, dat is iets wat een onmogelijkheid lijkt. Een tweede overeenkomst zit in iets, wat ik misschien het beste kan omschrijven als zelfrealisatie. Alle ideologieën nodigen uit, om onze roeping als mens waar te maken; om het beste uit ons zelf te halen. Ze verschillen alleen in datgene wat dit beste is. Binnen het Christendom is dat vooral gehoorzaamheid, het Liberalisme spoort aan tot eigen belang, ideëel of materieel, het Nationaal Socialisme wil onze genen veredelen en het Communisme wil de Paradijszoeker bevrijden van uitbuiting. Een belangrijk verschil zit in de haalbaarheid van een aards Paradijs. Het Christendom stelt ons een Paradijs in het vooruitzicht in een leven na dit aardse leven. De andere drie ideologieën willen zo lang niet wachten, en denken dat het Paradijs binnen bereik is.
Paradijs-psychologie
Zijn mensen wel geschikt voor een paradijselijk leven? De discipline die daar een zinvol antwoord op kan geven, is de psychologie. Maar de lastigheid met psychologische kennis is, dat ze zelden eenduidig is. Wat de ene psychologische stroming verkondigt, wordt in veel gevallen door een andere weer tegengesproken. Daarom is het waarschijnlijk handig om enkele verschillende psychologische visies te bespreken. Laat ik beginnen met de meest traditionele visie, de psychoanalyse. De psychoanalyse is voor een belangrijk deel het geesteskind van de Weense psychiater Sigmund Freud. Hij verzamelde een aantal leerlingen om zich heen, die na verloop elk hun eigen theorieën ontwikkelden, maar ze gingen allemaal uit van de almacht van het Onbewuste. Dat Onbewuste bestaat volgens Freud uit driften, en met zijn driftleer ontsloot Freud een heel nieuwe en fascinerende wereld voor de psychologie. Hij rekende af met de gedachte dat ons verstand (de Rede) leidend is bij de dingen die we doen, en dat ons gedrag logisch is. Volgens hem wordt je gedrag niet bepaald door jouw bewuste wil, maar door krachten die je zelf niet kent. In zijn psychoanalytische benadering van menselijke vraagstukken gaat het niet langer om de vraag ‘Wat wil ik?’ maar om ‘Wat wil mijn Onbewuste?’ Nou, op die vraag geeft Freud vervolgens het antwoord: jouw Onbewuste wil lust. Hij spreekt van het Lustprincipe dat daar actief is. Aanvankelijk had hij daarbij uitsluitend aandacht voor Eros, de seksuele lusten die in ons actief zijn. Of het nu gaat om psychische klachten, om dromen, de grappen die we maken of om kunstuitingen, ze hebben allemaal een seksuele achtergrond. Je bent je daar niet van bewust, omdat je het ware motief achter je handelen verdringt. Mensen zijn driftwezens, en onze seksdrive zou de belangrijkste bron zijn van de dingen die we doen. Als we het Paradijs zien als een oord dat volledig beantwoordt aan onze diepste wensen, dan is dit in de freudiaanse visie een Lusthof. Hert is een plek (een club, een parkeerplek, een website), waar we vooral druk zijn met het bevredigen van onze seksuele wensen. In zijn latere werk kwam Freud met nog een tweede drijfveer die in ons Onbewuste actief zou zijn: de doodsdrift of Thanatos. We dragen in ons ook nog een heel destructieve aandrang mee, die aanzet tot moord, oorlog, en genocide. Daarmee kunnen we de psychoanalytische verbeelding van het Paradijs wat bijstellen en komen we uit op een oord waarin zowel seksuele als agressieve neigingen aan bod komen; het seksueel sadistisch lusthof.
Misschien begint je Onbewuste zich al een beetje te verheugen op zo’n paradijselijk Lusthof, maar onze grote meester zelf was er geen voorstander van. Freud vond, dat wij onze driftmatige aanleg moeten verdringen of in elk geval beperken. Als we ons er helemaal aan over zouden geven, dan zouden we ons zelf op een lustvolle wijze naar een snel en zeker einde toewerken. Hij plaatst tegenover het Lustprincipe het Realiteitsprincipe, en zegt dat het leven ons dwingt om af te zien van het almaar toegeven aan onze driften. We dienen onszelf te begrenzen, en moeten accepteren dat de wereld niet alleen draait om onze behoefte aan vertier. Natuurlijk als kind krijgen we waarschijnlijk wel deze illusie mee, omdat onze ouders steeds toegeven aan onze impulsen. We bouwen daarmee al snel een illusie op, dat de wereld een groot lusthof is, maar we zullen moeten leren dat de werkelijkheid anders in elkaar zit. Freud geloofde niet dat we ooit een Paradijs zouden betreden, en vond dat we ons moesten verzoenen met het aardse leven. We kunnen dit plezierig maken door onze energie vooral te steken in twee activiteiten: werk en liefde.
Enkele volgelingen van Freud waren er wel van overtuigd, dat we een Paradijs op aarde konden realiseren. De meest markante is waarschijnlijk Wilhelm Reich. Hij was van mening, dat we ons driftleven juist alle vrijheid moeten geven, en ontwikkelde een therapie die alle remmingen ophief. Reich had de pech dat zijn ideeën in ongenade vielen bij de Nazi’s en moest Duitsland ontvluchten. Zij vonden hem met zijn ontaarde opvattingen over geestelijke gezondheid een gevaar voor de Duitse natie. Hij vluchtte eerst naar Noorwegen en later naar de Verenigde Staten en ontwikkelde daar zijn orgoontherapie. Door de meeste vakbroeders werd hij gezien als een psychoanalytische charlatan, maar is hij nog wel de inspirator geweest bij de Bioenergetica van Alexander Lowen. Ook hierbij gaat het om het vrijmaken van de energiestroom in het lichaam en de bevrijding van het driftmatige. Een andere dissident die zijn wortels in de psychoanalyse heeft, is Herbert Marcuse. Hij is eveneens een uit Duitsland gevluchte Amerikaanse sociale wetenschapper en maatschappijcriticus, die bekend werd tijdens de studentenprotesten van de jaren zestig. Marcuse betwijfelt de psychologische noodzaak om onze onbewuste behoeftes te onderdrukken. Volgens hem is er sprake van een maatschappelijk verschijnsel. Het economisch systeem waarin wij leven dwingt grote groepen mensen, om een belangrijk deel van hun energie in arbeid te steken, waardoor deze niet beschikbaar is voor andere behoeftes zoals seksualiteit en mentale zelfontplooiing. In plaats van minder tijd door te brengen met werk, is de moderne mens steeds meer een werker geworden, en worden andere taken (zoals opvoeding, huishouding) gedelegeerd. We zijn in het huidige economische stelsel gedegradeerd tot consumenten, en zorgen ervoor dat de producenten steeds meer kapitaal opbouwen. In de visie van Marcuse is het Paradijs wel binnen handbereik, maar weerhoudt het neo-kapitalistische productiesysteem ons om dit daadwerkelijk te realiseren.
Laten we terugkeren naar de meester zelf. Freud heeft er weinig vertrouwen in, dat we een Paradijs op aarde kunnen realiseren. Onze psychische aard staat ons daarbij in de weg. We worden geboren als egoïstische driftwezens, die eigenlijk uitsluitend seksueel en destructief genot zoeken. Van een aangeboren neiging om het Goede te doen, is volgens Freud geen sprake. Om ons toch nog een beetje in het gareel te houden, zijn twee psychische functies nodig. De Rede (ofwel het Ich) en het Geweten (het ÜberIch). Het Ich is die psychische functie, die probeert te onderhandelen tussen onze behoeftes en de harde werkelijkheid. Ze wil grenzen stellen aan ons streven naar lust, en roept op tot matiging. Het ÜberIch vertegenwoordigt de moraliteit, en verbiedt immoreel handelen. Het weerhoudt ons eveneens om zonder meer toe te geven aan het lustprincipe van ons Onbewuste. Als we ons verstand gebruiken en ons geweten laten spreken, dan maakt dit ons geschikt om voor onszelf en voor onze medebewoners goed te zorgen. Het zal geen Paradijs worden, maar we komen een aardig eind op weg.
Welke lessen kunnen we trekken uit de voor sommige lezers wellicht wat oubollige ideeën van Sigmund Freud. Wel, allereerst de stelling dat een grote belemmering voor het paradijselijk leven in onze eigen aard zit. We zijn van nature niet meteen de beste kandidaten voor het Paradijs. Daarvoor zal er eerst aan ons gesleuteld moeten worden. Dit inzicht wordt bevestigd als we onze blik werpen op de stand van zaken in de welvarende Westerse wereld. Eigenlijk zijn (zoals Marcuse stelde) alle condities aanwezig om een deel van de aarde te veranderen in een Paradijs. Er is sprake van een hoge welvaart, maar die gaat niet samen met een hoog welbevinden. We blijven ons arm voelen, omdat we er niet in slagen om in de pas te lopen met de extreme productie van luxegoederen. We hebben een grote rijkdom, maar de meeste mensen voelen zich niet rijk. Daarnaast zijn er allerlei andere verschijnselen, die we niet kunnen rijmen met een paradijselijk bestaan: de maatschappelijke ongelijkheid, de toename van welvaartsziektes en psychische klachten, de vergiftiging van de aarde en de onderdrukking van medemensen. De 9 maanden die een normale zwangerschap duurt, leidt er niet toe dat er een paradijsvogel geboren wordt. De tweede les is dan ook, dat we meer energie dienen te steken in onze geschiktheid voor het Paradijs. Freud noemt daarbij twee kwaliteiten: redelijkheid en moraliteit. Misschien zouden dit twee belangrijke pijlers kunnen worden voor onze zelfopvoeding. De moderne opvoeding lijkt steeds meer te zijn gericht op mensen passend maken voor de maatschappij zoals die nu is, Maar misschien zouden we beter mensen kunnen opvoeden om te leven in een betere samenleving.
De tweede psychologische stroming die ons kan helpen bij de zoektocht naar het Paradijs is het Behaviorisme. Het is een richting binnen de psychologie die bekend staat als typisch Amerikaans, omdat ze heel pragmatisch is en vooral mikt op toepassingsmogelijkheden. Minder inzichtgevend dus (zoals de psychoanalyse) maar vooral resultaatgericht. Je zou het een psychologie zonder psyche kunnen noemen. Ze houdt zich -zoals de naam al zegt- ook uitsluitend met gedrag bezig. Gedrag kun je waarnemen, terwijl een psyche toch altijd iets mysterieus blijft. Het Behaviorisme startte bij de publicaties van de Amerikaanse psycholoog John Broadus Watson (1878-1958). Hij stelt, dat het in de wetenschappelijke psychologie niet gaat om allerlei introspectieve processen, maar om waarneembare zaken. Om gedrag en om de waarneembare gevolgen van gedrag. Hij deed daarom onderzoek naar menselijk gedrag in functie van allerlei factoren in de omgeving: wat gaat eraan vooraf en wat zijn de gevolgen? Kort door de bocht wordt gedrag uitgelokt door omgevingsfactoren (stimuli), zodat je het kunt vergelijken met de reflexboog. Sommige situaties ontlokken op natuurlijke wijze een reactie bij het organisme. Daarnaast heeft gedrag consequenties, op het organisme zelf maar ook op de omgeving. Je kunt zijn theorie samenvatten met het ABC van gedrag waarbij A staat voor Antecedenten, B voor Behavior en C voor Consequenten. Om gedrag te begrijpen is het vooral belangrijk dat je kijkt naar de consequenties. Als gedrag sterke positieve consequenties heeft, wordt het beloond, en zal het in frequentie toenemen. Binnen het Behaviorisme spreken we dan van bekrachtiging. Een van de psychologen die dit model verder in een laboratorium heeft uitgewerkt is Burrhus Skinner (1904-1990). Hij hield zich in zijn onderzoekswerk vooral bezig met dieren, en had daarbij een sterke voorkeur voor duiven. Hij was speciaal geïnteresseerd in de vraag, hoe je dieren nieuw gedrag kunt aanleren. Als je weet aan welke wetten die leerprocessen onderhevig zijn (de zgn. leerprincipes), kun je ze ook actief gebruiken bij mensen. Bijvoorbeeld in het onderwijs of bij mensen met een mentale beperking of een psychiatrische stoornis. Je kunt ze ook gebruiken om de wereld te verbeteren, maar daar zal ik zo dadelijk op doorgaan. De leerprincipes die Skinner ontdekte, kunnen we als volgt samenvatten:
Het meeste willekeurig gedrag ontstaat spontaan, en wordt niet gestuurd door zoiets als wilskracht. Skinner ontkende dat we in ons doen en laten rationele wezens zijn. Als gedrag beloond wordt, dan neemt de kans toe dat het wordt herhaald. Het wordt dan bekrachtigd, of zoals hij zegt is er sprake van reinforcement. Dit proces vindt goeddeels op onbewust niveau plaats, zodat het organisme (dier of mens) zich van dat proces meestal niet bewust is. Als gedrag negatieve gevolgen heeft (negatieve reinforcement) zal het minder vaak optreden. Bij het aanleren van gewenst gedrag kun je het beste gebruik maken van positieve reinforcement. In zijn trainingen wordt vooral beloond, en weinig gestraft. Een belangrijke techniek daarbij is shaping, Je beloont gedrag dat in de richting gaat van het gewenste doel. In het begin beloon je vaak, maar je bouwt dit vervolgens af. Skinner ontdekte dat op den duur het gewenste gedrag het best in standgehouden wordt, wanneer het slechts af en toe beloond wordt.
De leerprincipes van Skinner zijn standaard onderdeel bij een hondentraining, maar worden ook veelvuldig toegepast in opvoedings- en leersituaties. Je kunt kinderen sneller een bepaalde vaardigheid aanleren, door deze op te splitsen in doelgedragingen, en deze te belonen. Ook binnen de psychotherapie worden vaak toegepast bij afleren van ongezonde gewoontes. Je gaat daarbij een slechte gewoonte vervangen door een positieve gewoonte, die daarvoor in de plaats dient te komen. Skinner noemde zijn methode Behavior Modification omdat hij de pest had aan het woord psychotherapie. Het aardige van deze techniek was en is, dat ze werkt. In de jaren zeventig van de vorige verschenen er talrijke publicaties over de succesvolle toepassing bij dwanghandelingen, angststoornissen, verslavingen, en psychosen.
Skinner genoot van zijn ontdekkingen, en wilde zijn inzichten ook buiten zijn dierlaboratorium toepassen. Binnen de samenleving, om te komen tot een betere samenleving. Zijn motieven daarvoor waren tweeërlei. Allereerst constateerde hij, dat in grote groepen van de samenleving het inzicht bestaat dat er grote veranderingen moeten optreden in de Amerikaanse leefstijl. Zoals hij in 1976 schrijft: ‘We kunnen niet langer de rest van de wereld in de ogen kijken, als we doorgaan met te consumeren en te vervuilen zoals we doen. We kunnen onszelf niet onder ogen komen, als we erkennen in welk geweld en in welke chaos we leven. De keuze is duidelijk: Of we doen niets en we roepen een ellendige en catastrofale toekomst over ons af, of we gebruiken onze kennis over menselijk gedrag om een sociale omgeving te creëren waarin we creatief en productief kunnen leven zonder de toekomst van volgende generaties in gevaar te brengen’. Dat klinkt erg progressief voor een klassiek ogende Amerikaanse professor die je nu niet direct in verband brengt met de milieu- of vredesbeweging. Een tweede reden is meer theoretisch van aard. Binnen het Behaviorisme is menselijk gedrag niet rationeel gepland, maar het resultaat van omgevingsfactoren. De leefstijl van mensen lijkt misschien wel redelijk, maar is dat in werkelijkheid niet. Ze wordt gestuurd door belonende gevolgen (positieve bekrachtigers). Skinner ontkent het bestaan van een vrije wil en daarmee van keuze; gedrag is gedetermineerd door externe factoren. De enige keuze die we hebben, is het aan de ‘goden’ over te laten hoe dit systeem van bekrachtiging werkt, aan mensen die daar slechte bedoelingen bij hebben, of aan wetenschappers. In het eerste geval zijn we de speelbal van onze aangeboren gevoeligheden (hebzucht, genotszucht), en in het tweede van dictators, of van een manipulerend productiesysteem. In het derde geval staat het reinforcement-systeem ten dienste van een groter plan dat is gericht op het Ware, het Goede en het Schone. De Behavior Modification zou kunnen helpen om vier belangrijke dreigingen voor de moderne mens te voorkomen: Uitputting van de aarde, de vervuiling van het leefmilieu, de overbevolking en de nucleaire dreiging. Er zijn technische mogelijkheden, maar belangrijk is gedragsverandering.
Om zijn ideeën over de maatschappelijke toepassing van Behavior Modification schreef Skinner het boek Walden Two. Het boek is een utopische roman, en verscheen in 1948. Als directe aanleiding voor het schrijven noemt Skinner de tweede wereldoorlog en heel specifiek de maatschappelijke situatie van de vrouw. Het Nazi-Duitsland representeerde in de ogen van Skinner een vreselijk voorbeeld van de wijze waarop een maatschappij ten gronde wordt gericht door verkeerd gebruik van Behavior Modification. Als je een herhaling van zo’n barbaars systeem wilt voorkomen, dan zul je er een ontwerp moeten maken voor een goede samenleving. Een tweede reden voor Skinner om Walden Two te schrijven zat in de maatschappelijke ongelijkheid van man en vrouw. In de jaren veertig was studie, werk en een maatschappelijke carrière voor veel vrouwen niet weggelegd. Zij zouden zich na hun huwelijk uiteindelijk overwegend bezighouden met huishoudelijke taken en de zorg voor de kinderen. Deze ongelijkheid was een doorn in het oog van Skinner vanwege de onrechtvaardigheid en verspilling van talent. In de samenleving die hij beschrijft wordt deze ongelijkheid opgeheven, doordat de ouderlijke taken door de samenleving als geheel worden uitgevoerd. Hij breekt daarmee met het traditionele gezin, en maakt veel opvoedkundige taken tot onderdeel van het systeem van operante reinforcement. Het is interessant om te lezen, hoe binnen deze Walden Two samenleving optimaal gebruik wordt gemaakt van zelfregulatie die gekoppeld is aan een positief beloningsmodel.
Skinner heeft zich bij het schrijven laten inspireren door Henry Thoreau, de 19de eeuwse filosoof en schrijver van het boek Walden or living in the woods. Hij deelde met hem het standpunt, dat een beter leven nooit het resultaat zal zijn van politieke actie, maar uitsluitend van gedragsverandering en van inperking van je behoeften en bezittingen. Het verschil zit hem daarin, dat Thoreau sterk individu-gericht was, terwijl Skinner opteert voor een maatschappelijk ideaal. Hoofdpersoon is een hoogleraar professor Burris, die samen met een collega en vier jongeren een bezoek brengt aan de Walden Two gemeenschap. Deze is het geesteskind van een oude bekende van hem, Frazier. In het boek wordt een beeld geschetst van deze leefgemeenschap van 1000 mensen, die nu eens niet ergens in de jungle maar in een stad vertoeft. Walden Two is eigenlijk een experiment, en fungeert als een pilot voor grootschaliger toepassing. De bewoners zijn gehuisvest in één gebouw, ze hebben een vegetarisch eetpatroon, en werken slechts vier uur per dag. De beloning (reinforcement) bestaat uit punten, die weer gekoppeld zijn aan aantrekkelijkheid vs. onaantrekkelijkheid van het werk. Onaantrekkelijk werk wordt hoger gewaardeerd dan aantrekkelijk. In de leefstijl is sprake van een goede balans tussen brein en spier; er is aandacht voor mentale activiteit en voor fysieke inspanning. Eigen bezit wordt ontmoedigd, en het consumptieniveau wordt laag gehouden om verspilling te voorkomen. De leefgemeenschap bestaat uit planner, managers, werkers en wetenschappers, waarbij deze functies in principe voor iedereen openstaan. Mensen kunnen dat werk doen wat het beste bij hun talenten of stemming past. Er is sprake van een vrije seksuele omgang, en er wordt meer waarde gehecht aan liefde dan aan seksualiteit. Ofschoon het verhaal wordt verteld door professor Burris, is Frazier de gids die de zes bezoekers rondleidt in het behavioristische paradijs. Het verhaal heeft een happy end; professor Burris besluit zijn baan als hoogleraar op te zeggen en zich aan te sluiten bij de Walden Two-gemeenschap.
Het boek Walden Two had een wat moeizame start, maar werd een bestseller in de jaren zeventig. Dat was overigens ook de periode dat de aan Behavior Modification gerelateerde gedragstherapie aan populariteit won. Het boek is waarschijnlijk nauwelijks nog bekend bij de hedendaagse wereldverbeteraars, maar heeft eigenlijk aan actualiteit gewonnen. Inmiddels is bij veel mensen het besef doorgedrongen dat hun leven meer wordt gestuurd wordt door externe manipulatie neurowetenschappen, algoritmes en foute influencers) dan door hun gezonde verstand. Zij maken misbruik van de Behavior Modification methode van Skinner, en zorgen ervoor dat we niet hat Paradijs naderen, maar het Inferno.